Vrije val bij overwinterende baardvleermuizen in Drenthe zet door

Zoogdiervereniging
30-JAN-2018 - Opnieuw is het aantal overwinterende baardvleermuizen in de aardappelkelder van voormalig Kamp Westerbork gedaald. Waar in 2012 zo’n duizend individuen werden geteld, waren er dat deze winter nog maar 81. De vrije val van het aantal dieren zet zich daarmee voort.

De Baardvleermuis is een vleermuissoort van kleinschalig landschap en bossen. Zij jaagt in en langs bossen, in rivier- en beekdalen en ook wel boven weilanden. De soort komt verspreid in vrijwel geheel Nederland voor, maar niet in grote aantallen. De dieren verblijven ‘s zomers in bomen, op zolders en soms ook in huizen. De Baardvleermuis is een beschermde soort van de Habitatrichtlijn en is in Nederland dan ook strikt beschermd.

De aardappelkelder van voormalig Kamp Westerbork was tot voor kort de belangrijkste winterverblijfplaats voor baardvleermuizen in (Noord-)Nederland. Sinds 2012 loopt het aantal overwinterende vleermuizen echter sterk terug. In 2016 is daarom door de Vleermuiswerkgroep Drenthe, Zoogdiervereniging en Staatsbosbeheer een onderzoek gestart naar de oorzaken van deze achtergang, in opdracht van provincie Drenthe en mede gefinancierd door het Prins Bernhard Cultuurfonds. 

Figuur 1: Aantallen overwinterende vleermuizen in de aardappelkelder

De afname van de dieren in de aardappelkelder weerspiegelt zich in de totale trend voor de baardvleermuis: deze is inmiddels op nationaal niveau gezien over de afgelopen tien jaar negatief geworden. Dit komt geheel op conto van veranderingen van de aantallen baardvleermuizen bij deze locatie.

Figuur 2: Nationale index baardvleermuis

Drie deelonderzoeken

Het onderzoek naar mogelijke oorzaken van de achteruitgang bestaat uit verschillende deelonderzoeken met ieder een verschillende focus: lokaal of regionaal.

Een eerste onderzoek in het begin van 2016 richtte zich met name op de lokale factoren. Hieruit bleek dat er geen aanwijzingen zijn voor een verschuiving naar winterverblijven op andere locaties in de wijde omgeving, voor verstoring door menselijke activiteiten of predatie door marterachtigen of muizen in de winter. Ook lijkt de kelder nog steeds een gunstig overwinteringsklimaat voor baardvleermuizen te hebben. De directe omgeving van de aardappelkelder is ook nog steeds geschikt voor baardvleermuizen, maar er kan een effect op de geschiktheid van migratieroutes op grotere afstand van en naar de overwinteringsplaats zijn. Echter, waar de zomerverblijven en –leefgebieden liggen van waaruit de dieren migreren van en naar de kelder, is maar summier bekend.

Overwinterende baardvleermuis

In een tweede onderzoek in het najaar van 2016 zijn tijdens het zwermen dieren gevangen. Hierbij kwam naar voren dat het aantal jonge baardvleermuizen ten opzichte van volwassenen niet sterk afwijkt van de verwachting, maar dat het aantal mannetjes hoger lijkt ten opzichte van andere vergelijkbare studies. Dit kan duiden op een lagere overleving van de volwassen, niet-reproducerende vrouwtjes. Zomerverblijfplaatsen en migratieroutes konden niet worden onderzocht.

In de vroege zomer van 2017 is een derde onderzoek op touw gezet in de hoop baardvleermuizen te vangen en te voorzien van een zender, zodat deze dieren gevolgd konden worden en dus de zomer- en kraamverblijfplaatsen gevonden konden worden. In totaal zijn gedurende drie nachten, waarbij elke nacht op drie geschikte locaties werd gevangen, geen baardvleermuizen gevangen. Wel zijn Brandts vleermuizen gevangen en gevolgd (zie het bijbehorende artikel)

Netten worden opgezet tijdens het vangonderzoek van 2017

De achteruitgang van overwinterende baardvleermuizen in combinatie met de afwezigheid van baardvleermuizen tijdens de vangactie van 2017 baart deskundigen grote zorgen.

Toekomst

Een gewone grootoorvleermuis gevangen tijdens het vangonderzoek. Helaas bleef de vangst van een baardvleermuis uit.Dat het herstel van de aantallen overwinterende dieren ook dit jaar uitblijft, onderstreept de noodzaak om de oorzaak te achterhalen. Het onderzoek zal zich daarbij moeten gaan richten op mogelijke oorzaken in het zomerleefgebied van de soort in Drenthe en omliggende provincies. Achteruitgang van het voedselaanbod door bijvoorbeeld veranderde teelt van gewassen of gebruik van chemische middelen kan niet worden uitgesloten. Ook directe aantasting van de (kraam)verblijven of migratieroutes van en naar de aardappelkelder zijn mogelijke oorzaken van de achteruitgang.

Zolang niet duidelijk is wat de oorzaak is, kan deze ook niet worden opgelost en kan ook niet worden uitgesloten dat dit ook elders in Nederland aan de orde kan zijn of gaat zijn.

Tekst: Zoogdiervereniging
Foto's: Ferdy Timmerman; Zoogdiervereniging ; Bernadette van Noort; Florian Reurink