Leren uit de ondergrond om rivieren weer te laten slingeren

Wageningen University
31-AUG-2018 - Steeds meer rivieren en beken in Nederland worden weer slingerend gemaakt. Het vereist meer kennis over hoe riviersystemen functioneren als ze weer de vrije loop krijgen. Hoe en waar ontstaan bijvoorbeeld rivierbochten als je de oeverbescherming verwijdert? De ondergrond is als een geschiedenisboek. Ze kan inzicht geven in hoe rivieren vroeger functioneerden en hoe ze dat mogelijk weer gaan doen.
Deel deze pagina

De rivier de Overijsselse Vecht was voor de kanalisatie begin vorige eeuw een slingerende, sterk meanderende rivier. De rivier verlegde zich lokaal met zo’n twee tot drie meter per jaar. Afgesneden bochten uit dit meanderende verleden zijn nog steeds terug te vinden in het landschap rondom de Overijsselse Vecht (bijvoorbeeld rondom Ommen). Recent is onderzoek gedaan naar de leeftijd van deze bochten. Hun ouderdom is bepaald aan de hand van historische kaarten en met optisch gestimuleerde luminescentiedatering, een methode waarmee gemeten kan worden wanneer een zandkorrel die afgezet is door de rivier, voor het laatst zonlicht heeft gezien. Het onderzoek toont aan dat deze grote rivierbochten pas begonnen te vormen gedurende de Late Middeleeuwen, rond de 14de-15de eeuw, terwijl de rivier zelf veel ouder is.

Voor de Middeleeuwen

Voor de Middeleeuwen was de Overijsselse Vecht een hele stabiele rivier die zich vrijwel niet verlegde. Dit is onderzocht door de hydrologische omstandigheden van die tijd te reconstrueren op basis van de dikte van de oude rivierafzettingen, en te vergelijken met de grote meanderbochten van na de Middeleeuwen. De dikte van rivierafzettingen zegt de onderzoekers iets over de hoeveelheid water die vroeger door de rivier stroomde, en met name de hoogwaterafvoeren.

Vanaf de Middeleeuwen

Het blijkt dat vanaf de Middeleeuwen hoogwaterafvoeren een factor 3 tot 12 hoger waren dan daarvoor. Zeer waarschijnlijk is deze toename van hoogwater toe te schrijven aan twee veranderingen: klimaatverandering en landschappelijke veranderingen. De Kleine IJstijd was een koude periode die duurde van de 15de tot de 19de eeuw. Studies laten zien dat hoogwaterafvoeren in deze periode veel hoger lagen dan nu, door ijsblokkades in de rivieren die regelmatig doorbraken en door hoge sneeuwsmeltafvoeren. Daarnaast bestond het stroomgebied van de Overijsselse Vecht destijds voor zo’n 27% uit veen. Veen functioneert als een spons en kan bij intensieve neerslag veel water vasthouden, waardoor de hoogwaterafvoeren in een rivier zeer beperkt zijn. Echter, hoogveen werd vanaf de 14de eeuw vrij intensief ontgonnen om boekweitteelt mogelijk te maken, en vanaf de 17de eeuw ook afgegraven voor turfwinning. De ontginningen en afgravingen hebben ertoe geleid dat de sponswerking verdween, en hoogwaterafvoeren in de rivier flink toenamen.

Overijsselse Vecht in de huidige situatieOverijsselse Vecht in het jaar 1851

Rivieren zijn dus erg veranderlijk zodra we alle oeverbescherming, kribben en dijken zouden weghalen: ze kunnen heel actief migreren of zich juist helemaal niet verplaatsen. Herinrichting van beek- en rivierdalen vereist een stroomgebiedbenadering, waarin rekening wordt gehouden met toenemende hoogwaterafvoeren door klimaatverandering of verstedelijking. De volgende keer dat u een rivierbocht ziet, vraagt u zich dan ook af hoe en wanneer deze ontstaan is?

Meer informatie

Tekst: Jasper Candel en Cindy Quik, Wageningen University & Research
Foto: Wageningen University & Research (leadfoto: oude rivierloop die bewaard is gebleven in het dal van de Overijsselse Vecht, daterend van 2400 jaar geleden. Deze rivierloop is een stuk kleiner dan de grote meanderbochten van na de Middeleeuwen. Er gingen veel lagere hoogwaterafvoeren doorheen)

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen