Thallus halvemaantjesmos in de Leidse Hortus

Natuur op de stoep: halvemaantjesmos

Hortus botanicus Leiden
9-APR-2023 - Ook vandaag, eerste paasdag, is de Leidse Hortus open. Neem eens een kijkje in de Chinese kruidentuin. In het bed met Rosa banksiae vlakbij de Singel groeit een levermos: het halvemaantjesmos. De uitdaging wordt nu om ook op andere plekken het halvemaantjesmos te spotten: het is onbekend en onverwoestbaar. Ga op zoek naar sporenkapsels. Wie vindt de eerste na het lezen van dit stukje?

Halvemaantjesmos is te herkennen aan de unieke halvemaanvormige broedbekers aan het eind van de lobben, waarin talrijke broedschijfjes worden gevormd. Dit zijn schijfvormige broedkorrels met een doorsnede van ongeveer een halve millimeter. Sporendragers worden zelden gevonden, maar lijken zeker in het begin meer op piepkleine paddenstoeltjes dan op de parapluutjes van het parapluutjesmos. Het thallus is tot vijf centimeter lang, helemaal glanzend heldergroen, zonder een spoortje rood, met aan het eind vertakte lobben. De bovenkant vertoont een netvormig patroon met duidelijk zichtbare lichte bobbeltjes met poriën die in verbinding staan met een klein luchtkamertje.

Halvemaantjesmos, sporofyten Halvemaantjesmos met opengesprongen kapsels

 

Blad en lever

Mossen zijn te verdelen in twee grote groepen. Bladmossen hebben meestal generfde blaadjes en sporenkapsels die omhuld worden door een huikje, waarbij de sporen het kapsel verlaten door de kapselmond nadat het huikje is afgevallen. Bij Levermossen staan de donkere sporenkapsels op een doorzichtig steeltje, en springen ze met vier kleppen open. Levermossen worden weer onderverdeeld in bebladerde levermossen, met liggende stengeltjes en dunne blaadjes zonder nerf, of thalleuze levermossen, zonder stengels of blaadjes, maar als lobben of plakkaten aan de ondergrond vastzittend. Tot deze groep behoren in Nederland onder andere het al genoemde parapluutjesmos (Marchantia polymorpha), en het halvemaantjesmos (Lunularia cruciata), waarover het hier gaat.

Meegereisd met potplanten

ParapluutjesmosHalvemaantjesmos komt wereldwijd voor in warm-gematigde en subtropische streken. In Europa komt de soort voor tot in Zuid-Scandinavië, maar hij komt oorspronkelijk waarschijnlijk uit het zuiden van Europa. Hij is hierheen gekomen met potplanten. Ook in ons Nederland is halvemaantjesmos een veel voorkomende verschijning op kwekerijen en op oude onverharde tuinpaden. Halvemaantjesmos is een van die zware jongens die eerst onopvallend een plaatsje veroveren, en zodra ze worden opgemerkt zo snel mogelijk worden weggeschoffeld. Maar ze houden het op dichtgeslagen grond lang vol, en hebben tot nu toe geprofiteerd van het feit dat ze resistent zijn tegen de meeste bestrijdingsmiddelen. Het zijn pioniers op vochtige plekken, in de stad en daarbuiten. Ze groeien langs beken en rivieren, maar ook op muren en tussen stoeptegels. Heuse stoepplantjes dus.

Warmer, vochtiger en beter gekeken

Halvemaantjesmos wordt steeds vaker gevonden. In de Nederlandse Verspreidingsatlas worden hiervoor twee verklaringen voorgesteld. Er wordt tegenwoordig beter naar deze grote thalleuze levermossen gekeken, en het klimaat is warmer en vochtiger aan het worden, wat gunstig is voor de groei en sporenvorming van levermossen. In Nederland is na een paar vondsten (in 1873 en 1888) pas in 2006 weer een exemplaar met volgroeide sporenkapsels gevonden.

Tweehuizig

De verklaring voor het doorgaans ontbreken van sporofyten is dat de soort tweehuizig is: elke plant is of mannelijk, of vrouwelijk, en door de efficiënte vermeerdering met hun broedschijfjes zijn populaties vrijwel altijd helemaal mannelijk of helemaal vrouwelijk; de mannelijke gameten kunnen dus eigenlijk nooit een (vrouwelijke) eicel bereiken, en dan worden er geen sporen gevormd. Halvemaantjesmos is een typische broedkolonist. Hij is tweehuizig en heeft een langlevend thallus. De soort verspreidt zich met broedkorrels en vormt zelden sporen.
Voordat er een sporofyt kan ontstaan, moeten er eerst op een mannelijk thallus mannelijke geslachtorganen worden gevormd, die heel onopvallend op het thallus zitten. De mannelijke geslachtscellen moeten met behulp van water een vrouwelijke plant bereiken, en die moet dan op dat moment rijpe vrouwelijke geslachtscellen in de aanbieding hebben. Plaat 82 van 'Kunstformen der Natuur' toont zowel de vrouwelijke als de mannelijke parapluutjes van het parapluutjesmos, klik op de afbeelding voor een vergrotingNa de bevruchting lijken de jonge sporendragers eerst op piepkleine paddenstoelen. De steel wordt dan steeds langer, en als ze rijpen, splitsen de kapsels als kleine sterretjes in vieren, en dan is het verschil met parapluutjesmos goed te zien. De kwastjes die uit opengesprongen kapsels steken, zijn bundels van eencellige springharen, die ervoor zorgen dat de sporen uit het kapsel naar buiten worden gewerkt – net zoals dat bij paardenstaarten het geval is.

Haeckel

In Nederlandse mosflora’s zijn hier geen afbeeldingen van, maar terug in de tijd is er meer te vinden. Op plaat 82 van Kunstformen der Natuur van Haeckel uit 1904 hiernaast, staan zowel de vrouwelijke als de mannelijke parapluutjes van het parapluutjesmos afgebeeld (figuur 1 en 2), en de opengesprongen kapsels van het halvemaantjesmos (figuur 7), naast voortplantingsorganen van andere levermossen. In de serie Die Natürliche Pflanzenfamilien, van Engler & Prantl, deel I, afd. 3, 1909, hieronder staan heel nauwkeurige afbeeldingen, tot op celniveau. Van de broedschijfjes, de luchtkamertjes, en de vrouwelijke en mannelijke onderdelen van het halvemaantjesmos.

De naam halvemaantjesmos slaat natuurlijk op de vorm van de broedbekers – die is ook in de wetenschappelijk geslachtsnaam Lunularia (halvemaanvormig) terug te vinden. De soortnaam cruciata zal verwijzen naar de rangschikking van de rijpe sporenkapsels, die nadat ze zijn opengespongen ook nog eens op een kruisje lijken.

Linnaeus had trouwens in zijn Species Plantarum in 1753, nog steeds de basis voor de wetenschappelijke naamgeving van levermossen, het halvemaantjesmos beschreven als Marchantia cruciata, in hetzelfde geslacht als het parapluutjesmos dus. Alle sporenplanten en fungi bracht hij onder in de klasse van de kryptogamen – zij die zich in het verborgene voortplanten. Wonderlijk genoeg plaatste hij de levermossen bij de algen. In Linnaeus’ herbarium in Londen is nog een scharrig vrouwelijk exemplaar bewaard gebleven, waar je met enige moeite kunt zien waar de naam cruciata vandaan komt.

Bladdoorsnede halvemaantjesmosBroedschijfje halvemaantjesmos

Halvemaantjesmos, mannelijke plant met broedbeker en mannelijk geslachtsorgaanHalvemaantjesmos, vrouwelijke plant

Tekst: Gerda van Uffelen, Hortus botanicus Leiden
Foto's: Gerda van Uffelen (leadfoto: thallus halvemaantjesmos in de Leidse Hortus); Bruce Fuhrer; Richard Fisk; Herbarium Linnaeus Londen; Haeckel, 1904; Engler & Prantl, 1909