Daliegaten met laagstaande zon

Waar komen de gaten in het Friese blauwgrasland vandaan?

Staatsbosbeheer
8-APR-2021 - Op een iets hoger gelegen zandkop in Van Oordt’s Mersken komt zeldzaam blauwgrasland voor. In dit voormalig veengebied zijn kuilen aangetroffen met afwijkende vegetatie. Deze gaten zijn lang een mysterie geweest, tot onderzoekers een merkwaardige ontdekking deden.
Deel deze pagina

Historie in de bodem

Ongeveer ter hoogte van het blauwgrasland in het Friese natuurgebied Van Oordt’s Mersken zit een knik in de percelering. Waarschijnlijk kwamen hier twee ontginningen, één vanuit het Koningsdiep en één vanuit Terwispel elkaar tegen. We praten dan over de vroege middeleeuwen. Veenpakketten werden ontwaterd en ontgonnen en afgegraven. Woeste grond werd ontgonnen zodat er gewassen konden worden verbouwd, hooi geoogst kon worden en vee kon grazen. In de beleving van nu was het een arcadisch landschap, paradijselijk en idyllisch, mooie en onbedorven natuur met massa’s kwinkelerende vogels en uitgestrekte velden met orchideeën, Spaanse ruiter en blonde zegge.

Mysterieuze kuilen

De toenmalige beheerder van het gebied noemde het perceel blauwgrasland steevast het Tranendal. In feite gaf hij daarmee toch wel aan dat er ook een schaduwzijde aan het arcadische beeld van het gebied kleefde. Opvallend was dat in het blauwgrasland ondiepe, min of meer cirkelvormige depressies voorkwamen van hooguit enkele meters doorsnee met een diepte van slechts twee à drie decimeter. Hij gaf als verklaring dat in de afgelopen eeuwen de rondtrekkende seizoenarbeiders (hannekemaaiers) hier in de zomer bivakkeerden en op vuurtjes hun maaltijden bereidden en koffie maakten. Een mooie en idyllische verklaring, maar wel merkwaardig dat die depressies vooral in het meest laaggelegen deel voorkwamen. Je zou toch verwachten dat in vroegere tijden het hier veel natter geweest moet zijn en dat er van het stoken van vuurtjes dan niet veel terecht kon komen.

Een merkwaardige ontdekking

Tijdens onderzoek naar verdroging in het gebied werd met een grondboor het bodemprofiel onderzocht. Het betrof een moerige podzolgrond met een moerige bovenlaag. Op zeventig centimeter onder het maaiveld bevond zich stugge grijze keileem. Toen de bodemopbouw van de depressie onderzocht werd, gebeurde er iets merkwaardigs. In eerste instantie dringt het nog niet eens echt door, maar de guts, waarmee het profiel werd gestoken, raakte pas op ruim één meter onder maaiveld de keileemlaag. Langzaam daagde het besef; er missen op de plek van de depressie in de ondergrond enkele decimeters keileem!

Eenmaal van de verbazing bekomen was de conclusie onontkoombaar, het zijn kuilen waaruit keileem is gedolven. De mens groef hier naar keileem om te gebruiken bij de constructie van boerderijen. Van keileem kun je prima vloeren maken en je kunt er wanden mee pleisteren. Hier ter plaatse, maar ook op andere plekken komen tientallen en misschien wel honderden van dergelijke kuilen voor. Er is ook een bodemkundige term voor dergelijke kuilen, ze worden daliegaten genoemd. Daliegaten zijn bekend uit Noord-Holland, deze kuilen gingen vaak meters diep. Er werd onder het veen naar zand gedolven, hiermee kon het veen bezand worden en verbeterde de draagkracht.

Onderzoek aan daliegat met gele lis en zwarte zegge

Na het delven werden de kuilen weer gedicht en hierbij is vermoedelijk ook veen gebruikt. In de opgevulde kuilen ontstond onder invloed van grondwater en de keileem een bijzonder milieu waar licht gebufferde en relatief voedselarme omstandigheden heersten. In veel voormalige kuilen groeit draadzegge, een soort van mesotrofe verlanding. Onder invloed van verdroging gaat in de kuilen de regenwaterinvloed overheersen en breiden soorten als zwarte zegge en egelboterbloem zich uit.

Bij het winnen en afvoeren van de keileem is vast ook materiaal gemorst. Keileem bevat mineralen en deze uiterst lichte aanvoer van nutriënten was net genoeg voor blauwgrasland om op te kunnen gedijen. Van het arcadische beeld van ongerepte natuur blijft met deze kennis weinig over.

In de depressies groeit onder meer gele lis, egelboterbloem, draadzegge, zwarte zegge, gewone wederik en aan de randen wat Spaanse ruiter. In één van de depressies is ook een kwetsbare en zeldzame mossoort gevonden: geveerd sikkelmos. Een moerasplant die gebonden is aan zwakgebufferde standplaatsen, zoals oevers, vennetjes, veentjes en lage plekken in nat schraalland. Buiten de depressies groeit klein glidkruid, Spaanse ruiter, blonde zegge, blauwe knoop, tormentil en hier en daar wat klokjesgentiaan.

Klein glidkruid

Hoe Staatsbosbeheer zorgt voor blauwgrasland

Blauwgrasland met blauwe knoop

In de jaren dertig van de vorige eeuw maakte Diemont vegetatieopnamen van het blauwgrasland, uit de begeleidende tekst valt op te maken dat het blauwgrasland in die jaren begraasd werd. In die jaren waren de hydrologische omstandigheden veel beter dan tegenwoordig en in tegenstelling tot vandaag de dag was de belasting met stikstof (N) op een zeer laag en natuurlijk niveau. Het waren altijd al schrale gronden, dus van begrazing moeten we ons geen al te grote voorstelling maken. Veeleer werd er in het voorjaar en najaar met enkele stuks vee begraasd. In de zomer werd er in de regel niet begraasd, onder gunstige omstandigheden viel er wat hooi te oogsten. De koeien zullen de Spaanse ruiter en blonde zegge in hun rantsoen van hooi misschien wel hebben kunnen waarderen.

Tegenwoordig zijn blauwgraslanden in Nederland uiterst zeldzaam en genieten ze als habitattype een hoge mate van bescherming. Staatsbosbeheer is nauwgezet bezig om de hydrologische omstandigheden in Van Oordt’s Mersken af te stemmen op de eisen die het habitattype stelt. Jaarlijks wordt het blauwgrasland aan het eind van de zomer gemaaid en het hooi afgevoerd. Net als bij kostbare schilderijen mag je bij excursies naar blauwgraslanden wel kijken, maar niet aankomen.

Tekst en foto's: Berco Hoegen, Staatsbosbeheer