Gewone melkdistel

Stoepplantje van de week: gewone melkdistel

Hortus botanicus Leiden
19-SEP-2021 - Heeft u het stoepplantje van deze week al gezien? Dan mag u zichzelf al een beetje een kenner noemen. In 2020 deden Julia, Giselle, Jamil, Julie, Isabelle en Charlie, biologiestudenten aan de Universiteit Leiden, een klein onderzoek in het kader van een project Ecologie, Biodiversiteit & Gedrag. Zij keken naar welke stoepplantjes mensen spontaan herkenden. De gewone melkdistel scoorde nul punten.
Deel deze pagina

Daar komt hopelijk verandering in nu de gewone melkdistel stoepplantje van de week is. Hij bloeit nog door tot in de herfst en is nu op zijn mooist. Melkdistels zijn familie van sla en net als sla eetbaar: u kunt het blad roerbakken als spinazie of toevoegen in de salade, als u tenminste van een fris plekje oogst. In de middeleeuwen werden ze met dit doel zelfs aangeplant. Melkdistels smaken wat bitter. Dat zijn we niet meer gewend, want van bijvoorbeeld witlof, ook een verwant van de melkdistel, kunnen we alleen maar de mild smakende rassen kopen. Toch leuk om een hapje te proeven en de rest fijn laten staan voor de dieren. Niet voor niets heet de melkdistel ook wel ganzedistel, hazedistel, hazensla, konijnbladeren, konijnenkruid, schapendistel of zoogdistel - een zoog is een zeug. In mijn moederland Duitsland wordt de melkdistel Gemüse-Gänsedistel genoemd, ook weer een verwijzing naar de eetbaarheid. De melkdistel is geen direct familielid van de distel, maar het stekelige blad doet daar wel aan denken.

Gewone melkdistel als stoepplantje

Breekt u een stukje af dan komt er wit melksap tevoorschijn, dat geldt voor alle melkdistels. Het feit dat hij melksap heeft, is een kenmerk dat het geen ‘echte’ distel is. Op de stoep komt u minstens drie verschillende melkdistels met enige regelmaat tegen: de gewone (Sonchus oleraceus), de akker- (Sonchus arvensis) en de gekroesde melkdistel (Sonchus asper). De gewone melkdistel heeft geen klierhaartjes en een penwortel, de akkermelkdistel heeft een uitgebreid vertakt wortelstelsel met lange witte uitlopers en klierharen, vooral op de groene blaadjes die rondom de bloemen zitten. De klierharen hebben een klein geel kopje. De gewone melkdistel heeft lichtgele bloemen en wordt tot zo'n negentig centimeter groot; de penwortel kan minstens even diep komen. De gewone groeit elk jaar opnieuw uit zaad, de akker is overblijvend. De gekroesde melkdistel is een relatieve nieuwkomer maar je ziet hem al even vaak als de andere twee.

Ton Denters noemt in zijn Stadsflora van de lage landen nog een nieuwkomer: slipbladmelkdistel (Sonchus tenerrimus), die meereist met kuipplanten zoals olijfbomen en van daaruit de overstap naar het trottoir maakt.

Melkdistel uit het Stoepplantjes KleurboekGewone melkdistel

Over Ton Denters gesproken: wij zijn er erg trots op dat hij volgende week zondag, 26 september, komt spreken tijdens een Science café in de Leidse Hortus. Kijk of er nog een stoeltje vrij is - het is in onze monumentale Oranjerie, waar dertig mensen coronaproof kunnen zitten. Mocht u achter het net vissen, stuur dan een mailtje aan educatie@hortus.leidenuniv.nl; het wordt opgenomen en achteraf online beschikbaar gesteld.

De pakweg vier melkdistels die u in de stad kunt aantreffen, zijn nog maar het topje van de ijsberg. Het geslacht melkdistel (Sonchus) behoort tot de composietenfamilie (Asteraceae) en telt ruim vijftig soorten, ook veel (struikachtige) endemische soorten, vooral op de Canarische Eilanden en Madeira - dat zijn soorten die nergens anders voorkomen dan op die plek. Allerlei beestjes zijn blij met de melkdistels. Let u maar eens op een grillig patroon dat vaak in het blad ontstaat: daar zit een of ander mineerbeestje dat de bladen net zo smakelijk vindt als wij.

Tekst: Paul Keßler, Hortus botanicus Leiden
Afbeeldingen: Plantenwerkgroep Breda, Zakgids Stoepplanten; Hanneke Jelles; André Biemans; Nathalie Tirion