Een vrouwtje eikenprocessievlinder met de bruinachtige tot geel grijze voorvleugel, met dwarslijnen en een kleine middenstip in de vorm van een komma.

Aantal eikenprocessievlinders in 2021 sterk gedaald, vooral in zuidelijke provincies

Kenniscentrum Eikenprocessierups
20-OKT-2021 - Landelijk zijn er de afgelopen maanden gemiddeld 24 eikenprocessievlinders per feromoonval gevangen. De daling van de afgelopen twee jaar zet daarmee door. In de zuidelijke helft van het land is de afname veel groter dan in het noorden. Minder vlinders betekent waarschijnlijk dat het aantal rupsen volgend jaar lager zal zijn dan dit jaar. De grootste plaagdruk is in het noorden te verwachten.
Deel deze pagina

In de afgelopen maanden zijn met 2291 feromoonvallen verspreid over Nederland bijna 51 duizend eikenprocessievlinders gevangen. Het landelijk gemiddelde van 24 vlinders per val ligt daarmee 40 procent lager dan het aantal in 2019 en zelfs 67 procent lager dan in 2018. In het piekjaar 2018 werden landelijk 73 vlinders per val aangetroffen. Een vergelijking met 2020 is niet te maken omdat de kwaliteit van de feromonen dat jaar niet goed was. Zie onderstaande figuur en kaart voor een overzicht van het gemiddeld aantal gevangen vlinders per val in de afgelopen jaren.

Groot verschil tussen noord en zuid

FeromoonvalOpvallend dit jaar is het lage aantal vlinders per val in de zuidelijke provincies. Ten opzichte van 2019 is het gemiddelde aantal vlinders per val met 85 procent afgenomen tot maar zes vlinders per val (zie onderstaande figuur). Dit is vergelijkbaar met de situatie in 2015. In de noordelijke provincies (Drenthe, Groningen, Friesland, Overijssel en Flevoland) daalde het aantal vlinders per val ten opzichte van 2019 met maar 20 procent naar 33 vlinders per val. Friesland is de enige provincie waar geen verandering is ten opzichte van 2019.

Jaarlijks gemiddeld aantal eikenprocessievlinders per feromoonval gevangen in heel Nederland, in de noordelijke provincies (Drenthe, Groningen, Friesland, Overijssel en Flevoland) en de overige provincies. In 2020 werkten de feromonen niet goed

Vallendichtheid

Gemiddelde vlindervangst per feromoonval per provincie voor de jaren 2016 tot en met 2021

De dichtheid aan feromoonvallen is in sommige provincies te laag om een betrouwbare schatting van het gemiddeld aantal vlinders per provincie te maken. In Flevoland, Limburg, Utrecht, Zeeland en Zuid-Holland waren veertig of minder vallen beschikbaar voor de analyse. Om een betrouwbaar beeld te krijgen van de populatieomvang zouden er meer feromoonvallen moeten hangen. Het totaal aantal vallen dat landelijk in de analyse is meegenomen is nog niet eerder zo hoog geweest.

Oorzaken van lagere vangsten

Er is een aantal mogelijke verklaringen voor de afname van het aantal vlinders:

  • Op locaties waar tijdig (voor het uitvliegen van de vlinders) de rupsen zijn bestreden of de nesten zijn verwijderd, kan het aantal vlinders aanmerkelijk lager zijn.
  • Door de vroege uitkomst van een deel van de eitjes en de vervolgens trage ontwikkeling van de rupsen door zeer koude omstandigheden in april en mei, zou de predatie van de eikenprocessierupsen door vogels en roofinsecten en parasitering door sluipvliegen en sluipwespen groter zijn geweest dan anders. Er waren in het voorjaar nauwelijks insecten te vinden hoog in de bomen. Door het koude voorjaar kwamen eiken traag in blad en moesten de vroeg uitgekomen rupsen lang op eten wachten. Doordat de rupsen in de zuidelijke helft van het land eerder zijn uitgekomen dan in het noorden is het effect van predatie en voedseltekort mogelijk groter geweest in het zuiden.
  • Eikenprocessierupsen hebben een 'periodiciteit'. Het lijkt erop dat de populatie eikenprocessierupsen in langer aangetaste gebieden aan het afnemen is als gevolg van een toename van het aantal natuurlijke vijanden en dat de populatie eikenprocessierupsen zich juist in later gekoloniseerde gebieden (noorden) aan het opbouwen is. Ook natuurlijke vijanden van de eikenprocessierupsen hebben hun natuurlijke vijanden en veroorzaken daarmee variatie in predatie.
  • Het grootste deel van de feromoonvallenmonitoring heeft tot aan de laatste week van september doorgelopen. Het kan zijn dat in de periode hierna nog vlinders uitvliegen. Daarom wordt de monitoring op verschillende locaties voortgezet. Gelet op de grote eikendichtheid in Nederland is te verwachten dat de populatie eikenprocessierupsen zich in deze gebieden in de toekomst weer opbouwt. Afgewacht moet worden wanneer die ontwikkeling zich zal laten zien.
  • In augustus is op veel plekken sprake geweest van veel neerslag. Wanneer er sprake is van hevige regenval vliegen de vlinders niet ver maar blijven zij in de buurt van de bomen waar ze zijn uitgekomen. Op deze locaties zijn volgend jaar grotere aantallen rupsen te verwachten, zelfs nabij plekken waar weinig vlinders zijn gevangen.
  • Verlengde diapauze. Het is bekend dat de vlinders van de eikenprocessierups niet altijd uitvliegen in hetzelfde jaar dat zij uit hun eitjes gekomen zijn. Plaatselijke omstandigheden kunnen leiden tot uitstellen van de uitkomst.

Vrouwtje eikenprocessievlinder

Gezien de afname van het aantal nesten en van het aantal eikenprocessievlinders in 2021 is het aannemelijk dat ook volgend jaar het aantal eikenprocessierupsen in Nederland verder afneemt en daarmee de samenhangende overlast. Echter, in nieuw gekoloniseerde gebieden, plaatselijk in het noorden van het land, zien we soms juist een toename van het aantal vangsten in 2021.

Er is geen reden om aan te nemen dat de eikenprocessierupsen definitief aan het verdwijnen zijn. Uit het verleden weten we dat de populatie en daarmee de plaagdruk zich over de jaren heen in golven kan ontwikkelen. Verder weten we niet in welke mate eikenprocessierupsen dit jaar in diapauze zijn gegaan en mogelijk in 2022 de draad weer oppakken en hun cyclus afmaken. Er kunnen volgend jaar nog altijd plaatselijke uitbraken zijn.

Tekst: Kenniscentrum Eikenprocessierups, Silvia Hellingman, Hellingman Onderzoek en Advies; Henry Kuppen, Terra Nostra; Arnold van Vliet, Wageningen University; Henk Jans, Jans Consultancy Gezondheid en Milieu; Hidde Hofhuis, Wageningen University; Joop Spijker, Wageningen Environmental Research
Foto's: Henry Kuppen, Terra Nostra; Silvia Hellingman, Hellingman Onderzoek en Advies