Trend moerassprinkhaan

Trends sprinkhanen bepaald op basis van losse waarnemingen

Centraal Bureau voor de Statistiek, EIS Kenniscentrum Insecten
2-AUG-2021 - Sprinkhanen worden niet gestandaardiseerd gemonitord in Nederland. Sinds enkele jaren kunnen wel jaarlijkse trends berekend worden op basis van losse waarnemingen. Dit gebeurt met zogenaamde occupancy-modellen. Hierdoor komen nieuwe ontwikkelingen in de sprinkhanenfauna aan het licht.
Deel deze pagina

Sinds enkele jaren bepaalt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de trends in het voorkomen van sprinkhanen op basis van losse waarnemingen. Hiervoor worden occupancy-modellen gebruikt, een relatief nieuwe statistische techniek, waarbij gecorrigeerd wordt voor verschillen in waarnemersinspanning. Voorwaarde is wel dat er voldoende waarnemingen worden gedaan. Hiermee kunnen voor 35 van de 53 Nederlandse sprinkhaansoorten trends worden vastgesteld. Dit wordt beschreven in een artikel in het nieuwste nummer van Nederlandse Faunistische Mededelingen.

In de periode waarin de zuidelijke boomsprinkhaan zich heeft uitgebreid in Nederland, is de boomsprinkhaan juist achteruitgegaan. Nader onderzoek zal moeten aantonen of hier sprake is van concurrentie

Enkele opvallende trends

De meeste trends sluiten goed aan bij de status op de rode lijst en de ervaring van sprinkhanenkenners. Echter, er zijn enkele soorten die als 'Thans Niet Bedreigd' op de Rode Lijst Sprinkhanen staan, maar waarbij de modellen een negatieve trend aanduiden: boomsprinkhaan, gewoon spitskopje, heidesabelsprinkhaan, gewoon doorntje, schavertje en knopsprietje. Dit zijn dus soorten om de komende jaren in de gaten te houden. De negatieve trend van de boomsprinkhaan en het gewoon spitskopje zou veroorzaakt kunnen zijn door de opkomst van de zuidelijke boomsprinkhaan en het zuidelijk spitskopje. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of hier sprake is van concurrentie.

Andere oplossing nodig voor zeldzame soorten

Het bosdoorntje is te zeldzaam, waardoor er geen trend bepaald kan worden met occupancy-modellen. Aanvullend onderzoek is nodig om de soort in de gaten te houden

Occupancy-modellen werken niet goed voor soorten met weinig waarnemingen. Daardoor kunnen juist de voor de natuurbescherming interessante zeldzame soorten, zoals wrattenbijter, locomotiefje en bosdoorntje, niet meegenomen worden. Voor deze soorten moet gezocht worden naar een andere wijze van monitoring om de ontwikkelingen te kunnen volgen. Het tellen van de soorten op vaste routes kan een oplossing bieden.

De laatste jaren is de insectensterfte veel in het nieuws. Het gaat daarbij met name om achteruitgang in aantallen (biomassa) van vliegende insecten. Bij de sprinkhanen zijn veruit de meeste soorten stabiel of gaan vooruit. Binnen de insecten lijkt het dus relatief goed te gaan met de sprinkhanen. Daarbij speelt ongetwijfeld een rol dat sprinkhanen echte warmteliefhebbers zijn. Veel soorten gedijen bij de warmere zomers van de afgelopen decennia.

Tekst: Marnix de Zeeuw, CBS & Roy Kleukers, EIS Kenniscentrum Insecten
Foto's: Roy Kleukers
Figuren: EIS en CBS