Een medewerker van de Werkgroep Zeearend ringt en meet twee jonge zeearenden in de Zuid-Hollandse Hellegatsplaten.

Waarom ringen we eigenlijk vogels?

Staatsbosbeheer
16-JUN-2023 - In de eerste week van juni zijn op verschillende plekken weer jonge zeearenden geringd. En zeearenden zijn niet de enige: bijna alle vogelsoorten worden geringd. Waarom doen we dat eigenlijk? En wat hebben de vogels er zelf aan? Harco Bergman, boswachter in het Kuinderbos in de Noordoostpolder: “Zo doen we kennis op waardoor we meer rekening met ze kunnen houden.”

Vijftien miljoen ringgegevens

Uiteraard zijn de medewerkers en vrijwilligers van Staatsbosbeheer niet de enige die ringen. Ook andere natuurorganisaties, stichtingen en vogelwerkgroepen doen mee. Maar het meeste ringwerk wordt verricht door vrijwilligers van het Vogeltrekstation van het Nederlands Instituut voor Ecologie. Alle ringnummers en de terugmeldgegevens worden ook verzameld door dit Vogeltrekstation. In Nederland heeft ruim een eeuw vogels ringen inmiddels meer dan vijftien miljoen ringgegevens opgeleverd. Hierdoor weten we steeds beter waar de vogels in Nederland vandaan komen, waar ze overwinteren, waar ze broeden en waar ze naartoe gaan.

Nestonderzoek

“We beginnen met het zoeken naar de nesten”, vertelt Harco. “Vaak al in februari. In de eerste plaats omdat we daar dan rekening mee kunnen houden met onze werkzaamheden. Maar ook om te ringen. Voor het ringen van roofvogels klimmen we begin juni de boom in en laten we de jongen om de beurt in een zak aan een touw naar beneden zakken. De ringer – met een ringvergunning – zit beneden, voert enkele metingen uit en brengt de ring met het unieke nummer aan.”

Krop gemeten

Zo wordt bijvoorbeeld de krop gemeten. Dat is een holte in de keel van een vogel waar hij tijdelijk voedsel opslaat voordat het naar de maag gaat. Harco: “Aan de krop kunnen we zien of een vogel pas heeft gegeten. Of die leeg is of goed gevuld zegt iets over hoe goed de ouders erin slagen voldoende prooien te vinden. Tegelijkertijd zoeken we in het nest naar resten van prooien, haren bijvoorbeeld. Dan zien we ook wat ze hebben gegeten. Dat samen is een indicatie van de hoeveelheid mollen en muizen in het gebied. Het geeft een beeld van hoe de voedselpiramide in elkaar zit.”

Bloedtesten

Daarnaast worden de snavel en de klauwen gemeten, en ook de conditie, het gewicht en de vleugellengte. “Aan dat laatste kunnen we zien wanneer de ouders begonnen zijn met broeden. Als er al vroeg in het jaar veel voedsel is, beginnen ze eerder met broeden. Maar als het vrij koud is geweest weer later.”

Als daar aanleiding toe is wordt er ook bloed afgenomen. “Dat kan als er reden is om bijvoorbeeld de verspreiding van infecties te meten. Dat heb ik zelf nog niet meegemaakt.” Begin juni is dat in bijvoorbeeld de Biesbosch bij zeearenden gedaan om te kijken of ze besmet zijn met vogelgriep. Vorig jaar zijn er waarschijnlijk enkele zeearendjongen aan vogelgriep gestorven.

Iedere ring heeft een uniek nummer

Waardevolle informatie

Ten slotte krijgen ze een ring met een uniek nummer om hun poot bevestigd. “Als deze ring na de dood van de vogel wordt gevonden, levert dat waardevolle informatie op over hoe oud ze zijn geworden en waaraan ze zijn gestorven. Ook zegt de vindplek veel over de routes en verblijfplaatsen die ze afleggen. Al deze gegevens gaan naar het Vogeltrekstation. Ook recreanten die een ring vinden, kunnen het nummer doorgeven aan het Vogeltrekstation.”

Soms wordt er ook een kleine zender aan een vogel bevestigd. “Hiervoor loopt bijvoorbeeld een project met zeearenden. Dat levert nog veel meer waardevolle informatie op, want dan zie je precies waar ze wanneer heengaan. Dit is echter te duur om grootschalig toe te passen.”

Vrijwel alle vogelsoorten worden geringd en gemeten. Hier krijgt deze dwergstern op Terschelling zijn unieke nummer

Kleinste ring voor winterkoninkje

Zo’n beetje alle vogelssoorten worden zo nu en dan geringd. Van veel voorkomende soorten alleen de jongen van enkele nesten en van zeldzame soorten zoveel mogelijk jongen. Er zijn dan ook ringen in vele maten. Die voor het winterkoninkje is de kleinste, en die voor de zwaan de grootste. “Zo weten we inmiddels hoe oud de verschillende vogels worden. De oudste bekende leeftijden in de databank van het vogeltrekstation zijn bijvoorbeeld voor de koolmees 10,7 jaar, de tjiftjaf 4,9 jaar, de tureluur 16 jaar en de ijsvogel 21 jaar. De oudste buizerd die in het Kuinderbos is teruggevonden, bleek 23 jaar oud. Hij sneuvelde enkele winters geleden tijdens de strenge winter.”

Wat vinden de vogels zelf?

“Zo’n ring zal even wennen zijn”, zegt Harco. “Maar als ze er eenmaal aan gewend zijn, hebben ze er geen last van. Het ringen zelf vinden ze natuurlijk niet leuk, maar veroorzaakt geen schade. We doen dit vaak als de ouders op jacht zijn, die zijn uren van het nest. Maar ook als ze wel voortijdig terugkeren, zien we dat dit geen effect heeft op de band tussen ouders en jongen. En ook nadat ze geringd zijn observeren we ze uitvoerig. Bijvoorbeeld als ze hun vleugels gaan trainen, als ze voor de eerste vlieglessen van tak naar tak springen. Nooit hebben we hierin afwijkend gedrag gezien bij geringde vogels.”

Inzicht in ecosystemen

Alle meetgegevens bij elkaar maakt dat we meer inzicht krijgen in de stand van de natuur. Harco: “Want ze zeggen niet alleen wat over de betreffende vogels, maar over de hele ecosystemen waarin ze leven. Zo helpen die gegevens ons om te proberen die ecosystemen in stand te houden.”

Tekst en beeld: Staatsbosbeheer