Nieuw motje voor Nederland uit een doolhofzwam

Stichting TINEA, Wageningen Environmental Research
17-MRT-2019 - In harde boomzwammen, zoals de tonderzwam, leven soms bijzondere insecten die zich met het zwamweefsel voeden. In de taaie doolhofzwam werd in Nederland nooit een spoor van insectenleven gezien. Totdat in Wolfheze een doolhofzwam met korrelige uitwerpselen tussen de lamellen werd gevonden. Ze bleken te zijn van rupsen van Nemapogon fungivorella. Alweer een nieuwe ‘kleine vlinder’ voor Nederland.
Deel deze pagina

Medio augustus 2015 werd de doolhofzwam (Daedalea quercina) op een afgestorven stamdeel van een levende Amerikaanse eik in Wolfheze (provincie Gelderland) gevonden. De onderzijde van de zwam bestaat uit onregelmatige lamellen die een doolhofachtige structuur vormen. Het is een saprofyt die voornamelijk op dode stronken en stammen van eiken groeit. Tussen de lamellen waren duidelijke vraatsporen met korrelige uitwerpselen van insecten te zien. De doolhofzwam heeft een zeer taai vruchtlichaam, en met moeite werden stukken van de zwam afgescheurd. Die werden thuis in een stevige, doorzichtige plastic zak bewaard. Wekenlang was er geen activiteit te zien. Er kwamen vakanties tussendoor, er werd lange tijd niet geobserveerd en de zak was vergeten.

Doolhofzwam op Amerikaanse eik

Pas medio juni 2016 bleken er tientallen dode motjes in de zak te zitten. In het plastic zaten vele gaatjes waardoorheen mogelijk een aantal rupsen is ontsnapt. De dode motjes, die een voorvleugellengte hadden van ongeveer 6,5 millimeter, waren compleet afgevlogen en door het ontbreken van de vleugelschubben werd de identificatie ernstig bemoeilijkt. Genitaliënonderzoek moest hier uitkomst brengen. Het bleek te gaan om de soort Nemapogon fungivorella.

Imago van Nemapogon fungivorella naar verschillende bronnenMannelijke genitaliën van Nemapogon fungivorella

Lang over het hoofd gezien

Dit motje kan zich ontwikkelen in de doolhofzwam, maar is er niet strikt aan gebonden, want in Oostenrijk is het motje ook gekweekt uit dood berkenhout. Door de verborgen levenswijze van alle ontwikkelingsstadia, het zeer plaatselijk voorkomen en de gelijkenis van de vlinder met in Europa algemeen voorkomende, nauwe verwanten is de soort lange tijd over het hoofd gezien. Pas in 1939 beschreef de Zweed Per Benander haar onder de naam Nemapogon fungivorella, terwijl de mot al in 1857 voor het eerst was gevonden. Als Nederlandse naam wordt voorgesteld: Benanders houtzwammotje. De rups is nooit beschreven.

Kleine vlinders

Onderzijde van de doolhofzwam met vraatsporen van de rupsenNemapogon fungivorella behoort binnen de insectenorde van de vlinders tot een vlinderfamilie, waarin bijvoorbeeld ook de in ons land schaars geworden ‘kledermot’ is ondergebracht. Deze familie, tezamen met een aantal andere, worden motjes of kleine vlinders genoemd. In ons land zijn bijna 1500 soorten van deze groep van de kleine vlinders gevonden.

Verschuiving naar het westen

Nemapogon fungivorella is bekend uit Noord-, Centraal- en Oost-Europa, maar de soort komt het meest voor in Centraal-Europa, namelijk in Polen, Tsjechië, Slowakije, Oostenrijk en Zwitserland. Ook Duitsland behoort tot het verspreidingsgebied, maar dwars door het noordwesten van dat land loopt de westelijke areaalgrens. Die grens is meer dan een halve eeuw ongewijzigd gebleven. Recent zijn echter twee niet te miskennen signalen afgegeven, die wijzen op een (poging tot) verschuiving van de areaalgrens in westelijke richting. Het eerste is de in dit artikel besproken vondst te Wolfheze in 2015. Het tweede signaal komt uit Duitsland. In 2016 werden namelijk vier vlinders opgekweekt in Noordrijn-Westfalen, niet ver van de Nederlandse grens, uit doolhofzwammen die daar waarschijnlijk in 2015 waren verzameld. Deze ontwikkeling herinnert sterk aan de kolonisatie door Nemapogon fungivorella van grote delen van Denemarken in de tweede helft van de vorige eeuw.

In de dierecologie is er geen verschil van mening (dat is bijzonder) over de totstandkoming van areaalgrenzen. Afgezien van historische factoren wordt het klimaat gezien als het belangrijkste factorencomplex dat de huidige areaalgrenzen bepaalt en dus ook de veranderingen daarin. Vaak wordt gedacht dat als gevolg van de klimaatverandering zuidelijke soorten naar ons land zouden komen. De werkelijkheid is echter ingewikkelder, want onze nieuwelingen komen bij de kleine vlinders vooral uit oostelijke en zuidoostelijke richting tot ons, zoals bij Nemapogon fungivorella het geval is.

Verspreiding van Nemapogon fungivorella in Noordwest-Europa

Niet zo bijzonder?

Het bijzondere aan de ontdekking van deze aanwinst voor onze faunalijst is, dat het niet meer zo bijzonder wordt gevonden. Op Nature Today is dit artikel al het vierde van het afgelopen half jaar, waarin bericht wordt over nieuwe motten voor de Nederlandse fauna. Eerder werden al gemeld de gele slakkenspoormot (Phyllocnistis valentinensis), de acaciagratie (Parectopa robiniella) en het verkennertje (Hellula undalis). In deze eeuw zou onze fauna volgens de literatuur met vele tientallen soorten zijn verrijkt. Toch bereiken ons via de media geregeld berichten over de teloorgang van biodiversiteit (soortenrijkdom) waar ook ter wereld. Naar onze inschatting is bij de kleine vlinders de biodiversiteit in ons land de afgelopen decennia echter niet dramatisch veranderd, maar geeft daarentegen meer een vorm van stabiliteit te zien. Dat betekent dat biodiversiteitstoename en -afname min of meer in evenwicht kunnen zijn. Dat is eveneens bij motjes op lokaal niveau gevonden.

Parthenogenese

Bijzonder in de levenswijze van Nemapogon fungivorella is het optreden van een vorm van parthenogenese, dat wil zeggen de ontwikkeling van een nieuw individu zonder dat daaraan bevruchting vooraf is gegaan. In grote delen van het verspreidingsgebied van Nemapogon fungivorella ontbreken de mannetjes geheel, zodat daar sprake moet zijn van parthenogenesis. Dat laatste bleek bij de Nederlandse kweek echter niet het geval; daarbij bevonden zich enkele mannetjes. Parthenogenesis is in de dierenwereld een veelvormig en complex verschijnsel, dat betrekkelijk weinig voorkomt.

Tekst: Leen Moraal, Wageningen Environmental Research en Joop Kuchlein, Stichting TINEA
Foto’s: Peter Buchner (leadfoto: het nieuwe motje Nemapogon fungivorella); Leen Moraal
Tekeningen: Leo Bot
Kaart: Gerrit Tuinstra, Stichting TINEA

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen