Eigen korenbloemen eerst
De Levende Natuur‘Pretpakketten’ worden ze wel genoemd, of ‘kermismengsels’: de zakjes met gemengde zaden die je in je tuin kunt zaaien. Niet alleen om de boel wat op te fleuren, maar vooral ook om de insecten te helpen. Florist Constant Swinkels, werkzaam bij FLORON en de Radboud Universiteit, kan de aardigheid er nog wel van inzien. “Als je het vergelijkt met een versteende tuin, of – erger nog – een tuin waar gif wordt gebruikt om ‘onkruid’ te bestrijden, dan is zelfs zo’n pretmengsel al een enorme stap in de goede richting.”
Heel anders wordt het volgens Swinkels wanneer die mengsels ook door gemeenten in de bermen worden gebruikt, of met een stevige subsidie in ‘bloemrijke akkerranden’ worden gezaaid. “Ik zie nog heel regelmatig akkerranden die vol staan met cosmea’s of phacelia’s”, zegt Swinkels. “En kijk je dan wat beter, dan zie je daar vooral hommels en honingbijen op vliegen. Niets mis met hommels natuurlijk, maar er zijn nog 350 andere soorten wilde bijen. Daarvan heeft een groot deel waarschijnlijk niets aan zo’n akkerrand.”
Zaai inheems!
‘Wil je de insecten helpen? Zaai inheems!’ Het is een inmiddels veelgehoord pleidooi. Maar hoe hard is die relatie nou eigenlijk. Swinkels durfde het tot vorig jaar niet te zeggen. Vandaar dat hij een even eenvoudig als veelzeggend experiment opzette.
Op verschillende locaties, zowel in de stad als op het platteland, maakte hij vier plotjes van anderhalf bij anderhalve meter. In ieder plotje plantte hij precies evenveel korenbloemen van vier verschillende variëteiten: één ‘inheemse’ en drie tuinvarianten. Vervolgens ging hij steeds een uur bij zijn proefveldjes zitten turven hoeveel insecten de verschillende bloemen bezochten en ook hoe lang.
“Het resultaat was vrij overtuigend”, zegt Swinkels met het diagram in zijn hand. “De inheemse korenbloem werd 3,5 keer zo vaak bezocht als de drie exotische varianten. Voor een deel kwam dat doordat de inheemse variant meer bloemhoofdjes maakte. Maar wanneer ik daarvoor corrigeerde, dan werd de inheemse nog steeds twee keer zo vaak bezocht als de bloemetjes van de tuinvarianten. De verschillen konden in ieder geval niet worden verklaard uit de hoeveelheid stuifmeel of nectar, want de tuinvarianten boden net zoveel voeding aan de insecten als de inheemse variant.”
Inheems is relatief
Bij zijn eigen observaties maakt Swinkels wel enkele belangrijke nuances. “Strikt genomen bestaat er niet zoiets als een inheemse korenbloem. Maar wanneer een plant meer dan 500 jaar in het wild voorkomt, dan mag je hem wel geassimileerd noemen; een archeofyt in het jargon van de floristen.”
Of plant en insect in die 500 jaar ook daadwerkelijk genetisch veranderen zodat ze beter bij elkaar passen, durft Swinkels niet te beweren. “Ik denk dat het vooral een leerproces is. Soms heeft een exotische soort bijvoorbeeld zo’n diepe bloemkelk dat de tong van een insect er gewoon niet op is aangepast. Dat zal dus nooit een goede plant-insect-relatie worden. Maar bij een soort als klaver kan het gaan om een handigheidje om een soort dekseltje te openen om bij de nectar te komen. Wanneer je Amerikaanse klaversoorten zaait, met een net iets ander dekseltje, zal dat in eerste instantie een probleem zijn voor inheemse bestuivers, maar na verloop van tijd leren insecten daarmee om te gaan”, denkt Swinkels.
Het helpt wat dat betreft dat insecten in onze streken relatief generalistisch zijn. “Dat komt omdat onze omgeving relatief recent een aantal keren is ‘gereset’ door ijstijden. De tropen zijn veel minder gereset door het klimaat, waardoor soorten zich ongeremd hebben kunnen specialiseren. Daar gaan aanpassingen van plant-insectrelaties waarschijnlijk een heel stuk trager.”

Uit zijn vergelijking tussen vier plotjes korenbloemen in de stad of op het platteland, blijkt een lichte tendens naar meer flexibiliteit onder insecten in de stad. “Dat is ook wel logisch”, vindt Swinkels. “Soorten moeten daar omgaan met een relatief dynamische omgeving. Maar zelfs in de stad werden de exotische korenbloemen veel minder vaak bezocht dan de ‘inheemse’ archeofyt.”
Best beschikbare materiaal
Volgens Swinkels heeft de geschiedenis al verschillende keren laten zien dat de natuur sowieso behoorlijk flexibel is. “De korenbloem die we nu inheems noemen is daar dus een voorbeeld van, maar ook de tamme kastanje, die door de Romeinen aan het begin van de jaartelling uit mediterrane streken hiernaartoe is genomen, mag je tegenwoordig wel als een inheemse plant beschouwen. Ook de Amerikaanse eik heeft tegenwoordig een steeds hoger niveau van biodiversiteit.”
Toch bedoelt Swinkels dit allemaal niet als bagatellisering van het probleem van exotische planten voor inheemse bestuivers. “Het probleem van de inheemse insecten is groot, daarover bestaat hopelijk geen misverstand. Voor zover dat komt door een gebrek aan geschikte planten, moeten we dat echt proberen op te lossen met plantensoorten waar deze dieren nu al op zijn aangepast. Mogelijk gaat dit zelfs om regionale variëteiten. Een genetische lijn van een plant beneden de rivieren kan ongeschikt zijn voor insecten in het noorden van het land en andersom. Wanneer we dus bijvoorbeeld geld uitgeven om de agrarische natuur te steunen met bloemrijke akkerranden, doe dat dan alsjeblieft met het best beschikbare materiaal dat voor handen is.”
Meer informatie
- Dit artikel is eerder verschenen in De Levende Natuur.
Tekst: Rob Buiter, De Levende Natuur
Beeld: Astrid Smit; Constant Swinkels
