Welke factoren sturen achteruitgang bestuivers in stedelijke landschappen?
De VlinderstichtingIn volkstuincomplexen in Leeds, Sheffield en Leicester, in Groot-Brittannië, zijn bijen, zweefvliegen en nachtvlinders geteld. In totaal werden ruim 10.000 insecten van 302 soorten gevangen. Zweefvliegen waren het talrijkst, nachtvlinders het meest soortenrijk. De bijen waren voornamelijk honingbijen en hommels. Daarnaast is de omgeving in kaart gebracht, waarbij onderscheid werd gemaakt tussen verstedelijkt gebied met overwegend verharding, groengebieden zoals parken, en als derde particuliere tuinen.
Vervolgens werd berekend welke factoren het meest bepalend zijn voor het voorkomen van de bestuivers. Voor elke 10 procent toename van verharde oppervlakken nam de soortenrijkdom aan bestuivende insecten met 7,5 procent af voor de drie bestuivende insectentaxa. Nachtvlinders en zweefvliegen blijken gevoeliger dan bijen, mogelijk door hun specifieke verschillende (voedings)eisen voor larven en adulten (de ‘volwassen’ insecten). Bijen, vooral honingbijen en hommels, zijn flexibeler dankzij hun brede voedselkeuze en grotere vliegbereik. Nachtvlinders zijn daarnaast extra kwetsbaar door lichtvervuiling. Groene elementen, zoals bomen en seminatuurlijke groenzones, helpen bestuivers. Nachtvlinders profiteren sterk van boomrijke gebieden, terwijl alle groepen baat hebben bij natuurlijke groengebieden. Tuinen van particulieren hadden daarentegen weinig effect.
Meer informatie
- Lees het hele artikel Drivers of nocturnal and diurnal pollinating insect declines in urban landscapes.
Tekst: Kars Veling en Chris van Swaay, De Vlinderstichting
Beeld: Kars Veling
