Floristische parels in de Krimpenerwaard: terug van weggeweest?

FLORON
20-OKT-2020 - De flora in een veenweidepolder als de Krimpenerwaard is anno nu niet bijzonder rijk aan soorten. De vele hectaren blauwgraslanden, veenmosrietlanden en dotterbloemhooilanden herbergden vroeger veel bijzondere flora. Slechts kleine postzegels zijn bewaard gebleven, en lijden onder verzuring en verdroging. Herstelmaatregelen worden toegepast om de bijzondere flora terug te laten keren, met succes!
Deel deze pagina

Ouderwets veenweidelandschap

De Krimpenerwaard is een uitgestrekt veenweidegebied onder de rook van Rotterdam. Een echt ouderwets veenweidelandschap: smalle kavels beweid met melkkoeien, veenlinten, kilometers lange houtkades, pestbosjes en knotwilgen. De melkveehouderij is hier al meer dan 150 jaar de belangrijkste grondgebruiker en beheerder van de polder. Voor de melkveehouderij was hennepteelt de belangrijkste inkomstenbron. Weliswaar niet voor drugsgebruik, maar voor de bastvezels van de plant waar touw van werd gemaakt.

Een veranderend landgebruik = een veranderende flora

Toen meer dan 150 jaar geleden de hennepteelt nog de belangrijkste landbouwvorm was, werd veeteelt enkel gebruikt als bron voor mest voor op de hennepakkers. Decennialang werden de graslanden waar het vee graasde jaarlijks gemaaid en gehooid. Alleen de graslanden dicht in de buurt van de boerderijen werden bemest met toemaak: een mengsel van bagger uit de sloten, stratendrek uit steden en stalmest. In het zogeheten 'achterland' (hooilanden ver van de boerderijen af) nam de voedselrijkdom van de van oorsprong voedselrijke veenbodem steeds een beetje af. Uiteindelijk zijn hier prachtige, schrale en soortenrijke blauwgraslanden ontstaan. Blauwgraslanden worden zo genoemd door de blauwige kleur die de vegetatie uitstraalt, veroorzaakt door soorten met blauwige bladeren zoals Blauwe zegge, Tandjesgras en Spaanse ruiter.

De opkomst van de melkveehouderij en de ruimere beschikbaarheid van meststoffen begin 20ste eeuw heeft een enorme invloed gehad op de flora in de Krimpenerwaard. Door de beschikbaarheid van grote hoeveelheden varkensmest en kunstmest zijn de schrale onbemeste graslanden verdwenen en maakten deze plaats voor zeer voedselrijke en soortenarme graslanden. In een tijdsbestek van 25 jaar zijn van de duizenden hectaren blauwgrasland nog maar enkele tientallen over.

Relicten uit het verleden

Enkele blauwgraslanden, veenmosrietlanden en dotterbloemhooilanden zijn in de Krimpenerwaard bewaard gebleven. Het blauwgrasland rondom eendenkooi Kooilust is negentig jaar geleden zelfs speciaal aangekocht door het Zuid-Hollands Landschap om de unieke vegetatie te beschermen. Hier groeit nu één van de laatste populaties Vlozegge, Klokjesgentiaan, Spaanse ruiter en Kleine valeriaan van Zuid-Holland.

Spaanse ruiter (paarse bloem) en Tormentil (gele bloem) in een oud blauwgrasland in de buurt van Gouderak

Andere relicten zijn de boezems langs de Hollandse IJssel tussen Gouda en Gouderak. De Veerstalblokboezem bijvoorbeeld is al honderd jaar een begrip onder floristen en vegetatiekundigen in Nederland. Vroeger groeiden hier zeldzaamheden als Geelhartje, Addertong, Rond wintergroen en vele soorten orchideeën zoals Grote muggenorchis, Groenknolorchis en Veenmosorchis. Ondanks dat relicten als de Veerstalblokboezem bewaard zijn gebleven, hebben ze niet meer dezelfde kwaliteit als vroeger. Door stikstofdepositie en een minder gunstige hydrologie kampen de relicten met verzuring en verdroging. Vele bijzondere soorten zijn hierdoor uit de graslanden verdwenen of staan op het punt te verdwijnen. Andere soorten nemen de plaats in, met name Pijpenstrootje.

Veel dotterbloemhooilandsoorten en soms zelfs blauwgraslandsoorten zijn ook nog terug te vinden in oevers en vochtige wegbermen, mits goed beheerd. Oevers en wegbermen zijn namelijk nauwelijks bemest geweest en kunnen daarom vrij schraal zijn. Aangezien goed beheer een belangrijk onderdeel is, komt er vanuit lokale initiatieven en overheden steeds aandacht voor ecologisch berm- en oeverbeheer.

Fietspadberm met Trosdravik, Grote ratelaar en Echte koekoeksbloem in de Krimpenerwaard

Plaggen als herstelmaatregel

Het herstel van botanisch waardevol grasland heeft de aandacht. Zo is een deel van de 2250 hectare Natuur Netwerk Nederland (NNN) dat gerealiseerd gaat worden in de Krimpenerwaard bestemd voor het herstel van blauwgrasland en dotterbloemhooiland. Een knelpunt bij herinrichting is dat de langdurig bemeste bovengrond erg lastig te verschralen is, waardoor de gewenste ontwikkeling wel honderden jaren kan duren. Als proef is 25 jaar geleden de bemeste bovengrond van enkele graslanden van voormalige, gangbare agrarische bedrijven tot op een diepte van twintig centimeter afgegraven en daarna in hooilandbeheer genomen. Bij dit beheer wordt twee keer per jaar gemaaid en wordt het maaisel afgevoerd, doorgaans later in het seizoen. Door het plaggen is in één keer een nattere en veel schralere situatie ontstaan en zijn na enkele jaren veel typische soorten van dotterbloemhooiland en blauwgrasland teruggekeerd. Een bijkomend voordeel van plaggen is dat de historische zaadbank word blootgelegd. Zo zijn in verschillende geplagde graslanden soorten met langlevende zaden zoals Teer guichelheil, Blonde zegge en Draadzegge weer opgedoken. Na enkele jaren verschijnen ook de eerste orchideeën. In de meeste gevallen zijn dat de Rietorchis en Brede orchis, maar ook de Moeraswespenorchis neemt steeds meer toe in geplagd schraalland.  

Het Paddenpad, vroeger agrarische grasland, werd twintig jaar geleden geplagd en is inmiddels één van de meest soortenrijke graslanden in de Krimpenerwaard

Het mooie is dat na het plaggen alle soorten spontaan verschijnen. Is het niet dankzij langlevend zaad in de bodemzaadbank, dan is het wel via de wind, het water of via vogels. Het slepen en verspreiden van maaisel uit andere graslanden om soorten te introduceren is dus helemaal niet nodig. Nu zijn nog niet alle typische blauwgraslandsoorten al terug van weggeweest. Spaanse ruiter en Kleine valeriaan hebben zich bijvoorbeeld tot op heden nog niet weten te vestigen in geplagde schraallanden. Kwestie van tijd?    

Dit natuurbericht is de eerste in de reeks 'Streekeigen flora', waarin floristen uit heel Nederland vertellen over de kenmerkende flora van hun regio.

Auteur: Stef van Walsum, FLORON
Foto's: Stef van Walsum (leadfoto: Moerasviooltje in een blauwgrasland) 

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen