Appel bloei en sneeuw

Vorstschade in Nederland in een veranderend klimaat

KNMI, Wageningen University
2-JUN-2022 - Door de vroege bloei van appelbomen zorgde de nachtvorst begin april van dit jaar voor nachtvorstschade. Dit fenomeen noemen we een valse lente. Uit analyse van bloeiwaarnemingen en klimaatdata sinds 1951, blijkt dat de kans op een valse lente groter is geworden. Zuid- en Oost-Nederland lopen het grootste risico. Door klimaatverandering zal een valse lente echter steeds minder vaak optreden.
Deel deze pagina

Dit jaar kende een reeks warme dagen in januari, februari en maart, gevolgd door nachtvorst begin april. Op de meeste plaatsen vroor het licht en in het oosten plaatselijk ook matig (kouder dan -5° Celsius). Nachtvorst kan, afhankelijk van het stadium van het bloeiproces, leiden tot ernstige schade aan de plant. Wanneer een appelboom zijn knoppen al heeft gevormd en er dan een nachtvorst strenger dan -2,2° Celsius optreedt, wordt er gesproken over een ‘valse lente’ (‘false spring’ in het Engels). 

Zuid- en Oost-Nederland hebben het hoogste risico op een valse lente

Op basis van uurlijkse temperatuurmetingen van het KNMI voor de jaren 1951 – 2022, en waarnemingen van eerste bloei verkregen via Natuurkalender.nl, kon een appelbloeimodel gemaakt worden. Het model berekent de start van de appelbloei met een gemiddelde onnauwkeurigheid van vier dagen. Met het model is een vorstschade-index ontwikkeld, die de schade per uur tijdens de nachtvorst aangeeft. 

Risicokaart voor valse lentes in Nederland. Met een ‘Hoog Risico’ in rood, ‘Matig Risico’ in oranje en ‘Klein Risico’ in geel

Sinds 1951 zijn er 25 jaren geweest met een kans op schade door een valse lente, waarvan vier jaren met een risico op ernstige schade (de jaren 1976, 1981, 1991 en 2022). Hieruit is een risicokaart voor valse lentes in Nederland gemaakt (figuur rechts). Het blijkt dat het zuiden en oosten van het land het grootste risico hebben op schade door een valse lente (rood). De provincies Utrecht, Drenthe, Friesland en Groningen hebben een matig risico (oranje). Langs de kust is door invloed van de warmere Noordzee en het IJsselmeer de kans op schade door een valse lente kleiner (geel).

Risico op een valse lente neemt toe

Uit de analyse blijkt dat de bloeidatum, over de laatste zeventig jaar, drie weken naar voren is verschoven. Dit komt doordat de gemiddelde temperatuur tijdens het groeiseizoen is gestegen, waardoor de plantontwikkeling is versneld. De laatste nachtvorst strenger dan -2,2°C is echter niet vroeger in het seizoen geworden (onderstaande figuur). Hierdoor zijn planten gemiddeld al verder ontwikkeld tijdens de laatste strenge vorst, wat de kans op schade door een valse lente vergroot. Gemodelleerde eerste bloeidatum (rood) en laatste gemeten nachtvorst strenger dan -2,2°C (blauw) voor 1951 - 2022. De stippellijnen laten de trend zien

Eind deze eeuw waarschijnlijk minder valse lentes

Naast het analyseren van valse lentes in het verleden, zijn de vier KNMI’14 Klimaatscenario’s gebruikt om de kans op valse lentes op de lange termijn te onderzoeken. Alleen de klimaatscenario's met een lagere temperatuurstijging (van 1,5°C tot 2085) geven een kans op valse lentes. In tegenstelling tot de waargenomen trend, laten de andere scenario’s een afname zien. Dit betekent dat het verhoogde risico op valse lentes dat nu zichtbaar is, waarschijnlijk tegen het einde van deze eeuw zal zijn tenietgedaan door het opwarmende klimaat.

Tekst: Joep Bosdijk, Vincent de Feiter, Annika Gaiser, Gudrun Torkelsdottir & Thijs Smink, Wageningen University & Research; in samenwerking met Peter Siegmund, KNMI en Arnold van Vliet, De Natuurkalender & Wageningen University & Research
Foto's: Arnold van Vliet; WUR/KNMI/Natuurkalender