Uitgedroogde bodem

Grote kans op aanhoudende droogte door lage waterreserves in Europa

Wageningen University
3-MEI-2026 - Het neerslagtekort is door de uitzonderlijke weersomstandigheden van de afgelopen weken snel toegenomen. Omdat de grondwaterreserves na het extreem droge jaar 2025 niet zijn aangevuld, is de uitgangssituatie ongunstig. Nieuwe driemaandsprognoses voor rivierafvoeren schetsen een zorgelijk beeld. Door de geringe sneeuwval in de Alpen en de droge bodems in Duitsland worden lage afvoeren verwacht.

De cijfers: een vals begin

Het neerslagtekort loopt dit jaar ongekend snel op. De combinatie van veel zon, hoge temperaturen en een schrale oostenwind heeft de verdamping tot uitzonderlijke niveaus opgedreven. Waar een ‘normaal’ neerslagtekort rond deze tijd van het jaar gemiddeld tussen de 20 tot 40 millimeter ligt, zitten we volgens de Droogtemonitor van het KNMI nu landelijk al op een tekort van circa 89 millimeter (Figuur 1). Daarmee zitten we op de lijn van  de 5 procent droogste jaren. Vorig jaar zaten we begin april in dezelfde categorie.

Voor natuur en landbouw is dit de slechtst denkbare timing. Jonge planten en bomen zitten midden in hun groeispurt en zijn afhankelijk van vocht in de bovenste bodemlaag. Maar die toplaag droogt nu sneller uit dan wortels kunnen volgen. Het resultaat: ‘droogtestress’ – een stille, maar ingrijpende verstoring van het groeiseizoen.

Figuur 1: Neerslagtekort in Nederland (2026). Landelijk neerslagtekort in het voorjaar van 2026, die door sterke verdamping snel oploopt en vroeg in het seizoen al richting de droogste jaren gaat

De spons van Nederland: hoe staat het grondwater ervoor?

Een hardnekkig misverstand is dat een natte week de droogte oplost. Dat geldt misschien voor de bovenste centimeters van de bodem, maar niet voor het grondwater. Het herstel van grondwater is een proces van de lange adem; het kan weken, maanden, soms zelfs jaren duren voordat een regendruppel de diepe reserves bereikt. Die diepe reserves zijn cruciaal: voor drinkwater, voor natuurgebieden die afhankelijk zijn van kwel en voor de basisafvoer van beken. En juist daar wringt het.

Op de hoge zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland – met name in delen van de Veluwe, Achterhoek, Twente, Noord-Brabant en Limburg – zijn de grondwatertekorten van het extreem droge jaar 2025 nog altijd niet aangevuld. Grondwaterstanden liggen hier op veel plekken ruim onder het langjarig gemiddelde (zie de afbeelding van het Droogteportaal in Figuur 2), waardoor het groeiseizoen start met een structurele achterstand. Dat werkt direct door in natuur en landbouw: heide- en hoogveengebieden vertonen eerder droogtestress, beekdalen die afhankelijk zijn van grondwateraanvoer kennen een lage basisafvoer en warmen sneller op, en landbouwpercelen op zandgronden drogen snel uit, waardoor beregening al vroeg nodig is.

De sterke koppeling tussen grond- en oppervlaktewater vergroot de kwetsbaarheid verder. In zandgebieden betekent minder grondwater ook minder kwel naar beken en natuurgebieden, terwijl in laaggelegen delen van Nederland – zoals het westen en noorden – lagere zoetwaterdruk leidt tot toenemende verzilting doordat zoute kwel minder goed wordt tegengehouden. De spons van Nederland is daarmee niet alleen leger dan normaal, maar functioneert ook steeds minder effectief.

Figuur 2: Actuele 'Standardized Groundwater Index' (SGI). De SGI geeft aan in hoeverre grondwaterstanden boven of onder het langjarig gemiddelde liggen; negatieve waarden laten zien dat de grondwaterstand vooral op de hoge zandgronden duidelijk lager dan normaal is

Lage waterreserves in Europa

Nederland is niet alleen afhankelijk van lokale regen. Onze grote rivieren – de Rijn en de Maas – zijn onze belangrijkste aanvoer van zoet water. Op dit moment liggen volgens de Droogtemonitor van Rijkswaterstaat de afvoeren nog rond het langjarig gemiddelde, maar dat maakt de situatie allerminst geruststellend. De voor Nederland cruciale waterreserves in Europa zijn namelijk leger dan normaal. De winter was uitzonderlijk sneeuwarm in de Alpen en de middelgebergten, waardoor er dit voorjaar en komende zomer minder smeltwater beschikbaar is om de rivieren te voeden. Tegelijkertijd zijn de bodems in grote delen van Duitsland nog steeds droog na meerdere droge jaren. Het regenwater wordt daar eerst door de bodem opgenomen, waardoor minder water snel richting de Rijn kan afstromen.

Het gevolg is dat, ondanks de huidige normale afvoeren, de beschikbare waterreserve voor de komende maanden kleiner is dan gebruikelijk.

Wat de modellen laten zien

Met behulp van modelensembles stellen we driemaandsprognoses op en vergelijken we verschillende scenario’s om trends en de meest waarschijnlijke ontwikkelingen te duiden. Op basis van deze modellen en de seizoensverwachtingen ontstaat nu al een duidelijk beeld van de komende maanden. Voor dit jaar schetsen die analyses opnieuw een zorgelijke uitgangspositie (Figuur 3).

De verwachtingsmodellen laten bovendien een verhoogde kans zien op een droger voorjaar dan gemiddeld. De ensemblemediaan wijst in grote delen van Midden‑ en Noord‑Europa op lagere afvoeren dan normaal, terwijl de kansverdeling laat zien dat deze afwijkingen in meerdere stroomgebieden met relatief hoge zekerheid kunnen optreden. Dat zijn geen harde voorspellingen, maar wel samenhangende signalen dat de aanvoer via de grote rivieren later in het seizoen opnieuw onder druk kan komen te staan. Het gevolg is dat, ondanks de huidige normale afvoeren, de beschikbare waterreserve voor de komende maanden kleiner is dan gebruikelijk.

Figuur 3: 3-maandprognoses van de rivierafvoer voor april, mei en juni 2026. De bovenste drie kaarten laten de verwachte afvoer zien in april, mei en juni (mediaan): rood = lager dan normaal, blauw = hoger dan normaal. De onderste drie kaarten tonen de kans dat de verwachting uitkomt: donkere kleuren betekenen een grotere zekerheid. Donkerrood betekent een grote zekerheid dat de rivierafvoer laag zal zijn en donkerblauw een grote kans dat de rivierafvoer hoog zal zijn. Dezelfde kleuren hebben in de bovenste drie kaarten dus een andere betekenis dan in de onderste kaarten

Van reactie naar anticipatie: early warning

Het huidige beleid in Nederland van 'Water en Bodem Sturend' is een belangrijke stap, maar nog niet genoeg. De uitdaging is om niet pas te handelen wanneer droogte zich aandient, maar al te anticiperen op tekorten die maanden eerder zichtbaar worden.

In ons onderzoek werken we aan deze omslag van reactie naar anticipatie. We gebruiken hydrologische modellen die worden gevoed met gegevens uit het Europese Copernicusprogramma, waaronder bodemvocht, sneeuwbedekking en verschillende waterbalanscomponenten. In combinatie met de seizoensverwachtingen van Copernicus kunnen we daarmee maanden vooruitkijken en vroegtijdig signaleren hoe droogte en rivierafvoeren zich waarschijnlijk zullen ontwikkelen. Waar in Nederland traditioneel sterk wordt gestuurd op actuele waterstanden bij Lobith, laten onze analyses al in de winter zien of de uitgangspositie kwetsbaar is.

Zo zien we in januari en februari vaak al signalen van een opbouwende droogte, maanden voordat de effecten zichtbaar worden in de monitoring: een achterblijvende sneeuwvoorraad in de Alpen, uitzonderlijk droge bodems in de Eifel en het Zwarte Woud, en grondwaterstanden op de hoge zandgronden die opnieuw onder het langjarig gemiddelde beginnen.

Daarnaast werken we binnen het LODESTAR-project aan een specifiek early-warning-systeem. Daarin gebruiken we droogte-indicatoren zoals de Standardized Precipitation Index (SPI) en de Standardized Streamflow Index (SSI) om te volgen hoe neerslagtekorten en lage afvoeren zich ontwikkelen in Nederland (Figuur 4). Elke maand draaien we onze modellen opnieuw, zodat we kunnen zien hoe droogte zich opbouwt en welke regio’s als eerste risico lopen. Deze maandelijkse updates helpen om lokale casestudies te ondersteunen en om beter te begrijpen welke maatschappelijke sectoren – zoals landbouw, natuur en drinkwater – als eerste de gevolgen merken wanneer droogte zich aandient.

Op dit moment laten de indicatoren een gemengd beeld zien. De rivierafvoeren liggen nog rond het langjarig gemiddelde en de SPI wijst vooral op milde droogte. Op het eerste gezicht lijkt de situatie dus mee te vallen. Maar onder de oppervlakte zien we signalen die minder geruststellend zijn: de grondwaterstanden op de hoge zandgronden blijven hardnekkig laag. In combinatie met een klimaat waarin droge lentes steeds vaker voorkomen, betekent dit dat we de situatie nauwlettend moeten blijven volgen. We zijn nog niet uit de gevarenzone – en juist daarom is een goed early‑warning‑systeem essentieel.

Figuur 4: Indicatoren voor droogte (SPI en SSI). De SPI (boven) laat zien hoe afwijkend de neerslag is ten opzichte van normaal en geeft daarmee een beeld van meteorologische droogte. De SSI (onder) toont afwijkingen in rivierafvoer en weerspiegelt hoe droogte doorwerkt in het watersysteem. Samen laten deze indicatoren zien waar droogte ontstaat en waar deze ook zichtbaar wordt in lagere rivierafvoeren

In Nederland proberen waterbeheerders nu al een zo gunstig mogelijke uitgangspositie voor het komende droogteseizoen te creëren. Waar het kan, wordt water langer vastgehouden en gaan peilen eerder omhoog om het beschikbare water in het gebied te houden. Ook wordt minder snel water afgevoerd uit sloten en beken. In het IJsselmeergebied wordt bovendien door Rijkswaterstaat toegewerkt naar een hoger voorjaarspeil, waarbij alleen op specifieke momenten wordt gespuid naar de Waddenzee om voldoende zoetwaterreserves op te bouwen voor later in het jaar.

Droogte is geen uitzondering meer

Droogte is niet langer een incident; het is de context waarin we moeten leren leven, bouwen en boeren. We kunnen droogte niet ‘weg‑regenen’ – we kunnen het alleen voor zijn. Dat vraagt om beleid dat niet wacht tot de nood hoog is, maar anticipeert op wat we al maanden van tevoren zien aankomen. Juist daarom zijn een systeemaanpak en een goed early‑warning‑instrumentarium essentieel: alleen door tijdig te zien hoe droogte zich opbouwt, kunnen we Nederland weerbaarder maken voor de seizoenen die komen.

Tekst: Inge de Graaf, Samuel Sutanto, Lisanne Nauta, Karun Datadien en Rhoda Odongo, Leerstoelgroep Earth Systems and Global Change, Wageningen University
Beeld: Arnold van Vliet; KNMI; Droogteportaal.nl ; Lisanne Nauta, Wageningen University & Research - Data van Copernicus Climate Change Service