Bosanemonen in leembos Schijndel

Potenties voor leembossen in twee Brabantse waterwingebieden

Bosgroepen, Brabant Water, Stichting Bargerveen
16-JUN-2026 - Brabant Water beheert leembossen bij Schijndel en Son. Uit bodemonderzoek en landschapsecologisch onderzoek blijkt dat beide gebieden ontwikkeld kunnen worden tot soortenrijke leembossen die aansluiten bij bestaande leembossen of als stapsteen kunnen dienen.

Het lijkt tegenstrijdig: waterwinning en natte natuur. Toch liggen er potenties voor soortenrijke leembossen in waterwingebieden Schijndel en Son van Brabant Water. Door in te zetten op herstel van het lokale watersysteem, kunnen hier de bijzondere Brabantse voorjaarsbossen ontwikkelen met bosanemonen, slanke sleutelbloemen en bosviooltjes. Met adequaat beheer kan in de komende jaren gewerkt worden aan natte tot vochtige leembossen in Schijndel. Voor Son ligt, vanwege de landschapsecologische positie, een iets drogere variant binnen bereik.

Slanke sleutelbloem in leembos

Brabantse leembossen

De waterwingebieden Schijndel (Geelders, Wijboschbroek) en Son (Mortelen, Scheeken) bevinden zich in de Brabantse leemstreek, een uniek gebied met rijke, vochtige bossen in het overwegend droge Brabantse zand. De Brabantse leem vormt het fundament van de leembossen. Als deze leemlaag kort onder het maaiveld ligt, zorgt die voor vochtige en vaak basenrijke condities, waardoor hier rijke bossen met een uitbundige voorjaarsflora voorkomen. Waterwingebied Schijndel grenst aan het leembossencomplex De Geelders en is niet ver verwijderd van de leembossen in Wijboschbroek. Waterwingebied Son ligt nabij de leembossen De Mortelen, Scheeken, Boskant en Diependaal.

De twee waterwingebieden bestaan uit relatief jonge bossen: ze zijn in de jaren 70 en 80 aangeplant op landbouwgrond. Ondanks de jonge leeftijd komen er al plantensoorten voor die kenmerkend zijn voor goed ontwikkelde leembossen. Zo is in Schijndel bosanemoon, slanke sleutelbloem en bosandoorn te zien en vinden we bosanemoon en gewone salomonszegel in Son. Met behulp van een landschapsecologische systeemanalyse hebben we onderzocht wat de huidige potenties zijn voor verdere ontwikkeling van de leembossen in deze terreinen. Op onderstaande kaart is in een oogopslag te zien dat de Brabantse leembossen voorkomen op plaatsen waar de leem zich vlakbij het maaiveld bevindt.

Ligging van waterwingebieden Schijndel en Son (zwarte lijnen) en andere Brabantse leembossen ten opzichte van de diepte van de  Brabantse leem

Wat de bodem ons vertelt

In beide terreinen zijn grondboringen uitgevoerd en bodemmonsters verzameld om de huidige bodemtoestand te doorgronden. In Schijndel is de Brabantse leem vlak onder het maaiveld aanwezig. Omdat de leem hier kalkrijk is, zorgt deze voor een goede buffering van de bodem. Roestverschijnselen in de ondiepe bodem laten zien dat het grondwater in de winter tot bijna aan het maaiveld stijgt. Allebei goede uitgangspunten voor de typisch Brabantse natte, soortenrijke leembossen. In Son ligt de Brabantse leem dieper onder het maaiveld, onder een pakket van armer dekzand. Hierdoor zijn de voedingstoffen in de leem moeilijker bereikbaar voor bomen en planten. Ook de roestverschijnselen zijn een stuk dieper aangetroffen, wat laat zien dat dit oorspronkelijk al een minder nat gebied was dan Schijndel. Ook is de Brabantse leem in Son niet (meer) kalkrijk. De bovenste laag van de bodem is in beide terreinen rijk aan fosfaat, een logisch gevolg van het landbouwverleden. Op onderstaande landschapsecologische dwarsdoorsnedes van Schijndel en Son zijn bodemopbouw, pH, kalkgrens en de gemiddeld hoogste (GHG) en gemiddeld laagste (GLG) grondwaterstand weergegeven.

Landschapsecologische dwarsdoorsnedes van Schijndel en Son

Potentie voor leembossen

In een onaangetast leembossengebied komen verschillende type leembossen voor op een landschapsecologische gradiënt. Deze gradiënt wordt bepaald door lokale grondwaterstromen. Van nature komen op de hogere kopjes vooral beuken-eikenbossen voor en lokaal, waar de leem ondieper ligt, eiken-haagbeukenbos. De natste, laagste delen waar de grondwaterinvloed het grootst is, worden gekenmerkt door vogelkers-essenbossen en elzenbroekbos. Met het uitgebreide bodemonderzoek is de landschapsecologische positie van beide gebieden – en daarmee de potentie voor ontwikkeling – in beeld gebracht. Waterwingebied Schijndel heeft de potentie voor eiken-haagbeukenbossen en vogelkers-essenbossen. Dit vanwege de ondiep aanwezige leemlagen, de hoge grondwaterstanden en de kalkrijkdom van de leemlaag. Waterwingebied Son ligt hoger in het landschap, is daardoor droger en de leemlaag zit dieper in de ondergrond. Hier ligt beuken-eikenbos binnen bereik.

Voor beide waterwingebieden geldt dat de lokale hydrologie sterk veranderd is door ontwatering, zowel binnen de terreinen als in de omgeving. In combinatie met de erfenis van het landbouwkundig gebruik betekent dit dat snelgroeiende plantensoorten, zoals bramen en brandnetels, profiteren ten koste van typische leembosvegetaties. Ook zijn beide gebieden smal en beslaan ze zelfstandig een klein deel van de typische gradiënt van leembossen. Ten slotte ligt met name Son in een tegenwoordig sterk versnipperd landschap. Toch liggen er in beide gebieden goede kansen voor het versterken van leembossen, zeker in combinatie met bestaande leemboscomplexen.

Dwarsdoorsnedes met ligging vegetatietypen van aangetaste en intacte leembossen

Kleinschalig beheer met grote impact

Om de ontwikkeling van de relatief jonge bossen in de richting van de typisch Brabantse leembossen te bevorderen, wordt ingezet op kleinschalig en boomgericht bosbeheer. Dat de bossen nog jong zijn, is een voordeel. Het huidige bosbeeld is vrij monotoon, met gelijkjarige opstanden waarin een of enkele boomsoorten domineren. Ook een goed ontwikkelde struiklaag en mantel-zoomvegetatie ontbreken grotendeels, onder andere door het vaak gesloten kronendak dat typerend is voor jonge bossen. De aanknopingspunten voor een soortenrijk en veerkrachtig leembos zijn echter al aanwezig in het voorkomen van voor leembossen typische flora en de ligging ten opzicht van de goed ontwikkelde Brabantse leembossen.

Het beheer richt zich erop deze potenties doelgericht te benutten en te versterken, bijvoorbeeld door voorkomende mengboomsoorten meer groeiruimte te geven, aanwezige verjonging de kans te geven om door te groeien en ontwikkeling van een struiklaag te bevorderen door bomen in het kronendak weg te nemen. Waar nodig worden ontbrekende, voor leembossen kenmerkende boomsoorten, zoals ratelpopulier, haagbeuk, zoete kers en boswilg, ingebracht. Bosontwikkeling vraag tijd. Daarom worden deze ingrepen bewust kleinschalig en gespreid in de tijd uitgevoerd en krijgt het bos na elke maatregel de ruimte om zich verder te ontwikkelen. Zo groeien deze jonge bossen stap voor stap uit tot soortenrijke en veerkrachtige leembossen.

Zoete kers in bloei

Bosanemoon

Tekst: Louise Franssen en Esther van Hoof, Stichting Bargerveen; Joke Plas en Roos Welvaarts, Bosgroep Zuid Nederland; Boy Possen en Joost Tuithof, Brabant Water
Beeld: Boy Possen en Joost Tuithof, Brabant Water