Hooikoortspollen in de stad blijkt sterk lokaal
Hortus botanicus LeidenDoor klimaatverandering stijgen de temperaturen, waarbij steden extra opwarmen doordat beton en asfalt warmte vasthouden. Meer groen kan helpen om steden te verkoelen door middel van schaduw en verdamping. Sommige plantensoorten produceren echter allergeen pollen dat zich via de lucht verspreidt en hooikoortsklachten kan veroorzaken. Binnen het BENIGN-project onderzochten we hoe steden kunnen worden vergroend en verkoeld, zonder tegelijkertijd de blootstelling aan allergeen pollen te vergroten.
Pollen meten op straatniveau
Pollen wordt doorgaans gemeten met regionale meetstations, zoals op het dak van het LUMC in Leiden. Deze metingen geven een goed beeld van de hoeveelheid en samenstelling van pollen in de lucht in een regio, maar laten lokale verschillen tussen straten en wijken niet zien. Om die lokale verschillen te onderzoeken, werd een jaar lang tweemaal per week pollen gemeten op straatniveau in Leiden. Dit gebeurde langs de groene Jan van Houtkade en in het minder groene Noorderkwartier.
Studenten van Hogeschool Leiden liepen met draagbare 'pollensniffers' door de straten. Deze apparaten zuigen lucht aan en vangen pollen op voor verdere analyse. Met microscopie werd bepaald hoeveel pollen aanwezig was, terwijl DNA-analyse hielp te achterhalen van welke plantensoorten het pollen afkomstig was. Zo konden de onderzoekers bepalen hoe sterk de hoeveelheid en samenstelling van pollen tussen straten verschilden en welke planten de belangrijkste bronnen van allergeen pollen waren.
Meer groen, meer pollen?
De hoeveelheid pollen in de lucht bleek sterk te verschillen tussen delen van de stad. Langs de groene Jan van Houtkade werd gemiddeld 56 procent meer pollen gemeten dan in het warmere en meer versteende Noorderkwartier, waar minder bomen en ander groen aanwezig waren. Meer pollen betekent echter niet automatisch een groter aandeel allergeen pollen. Hoewel de totale hoeveelheid pollen langs de Jan van Houtkade hoger was, bestond in het Noorderkwartier een groter deel van het pollen uit allergene soorten: 41,4 tegenover 32,7 procent.
DNA-analyse liet bovendien zien dat het allergene pollen in de onderzochte locaties vooral afkomstig was van planten uit de openbare ruimte, waaronder laanbomen en grassen. Van de 322 geïdentificeerde plantensoorten waren er 104 allergeen. Slechts 6 daarvan waren tuinplanten, waaronder olijf en siergrassen. De inrichting van openbaar groen heeft daarmee invloed op de lokale blootstelling aan allergeen pollen. Opvallend was daarnaast dat allergeen boompollen ook buiten de gebruikelijke bloeiperiode werd aangetroffen, waaronder berkenpollen tot in december. Dit laat zien dat blootstelling aan allergeen boompollen ook buiten de gebruikelijke bloeiperiode kan voorkomen.

Gemeenten kunnen het verschil maken
Dat pollen sterk lokaal varieert, betekent dat keuzes op straat- en wijkniveau ertoe doen. Gemeenten hoeven daarom niet minder groen aan te planten of bestaande bomen te kappen, maar kunnen bij nieuwe aanplant bewuster kiezen welke soorten ze waar planten. Sterk allergene bomen kunnen beter worden vermeden op drukke plekken, zoals pleinen, schoolpleinen en veelgebruikte wandel- en fietsroutes. Regionale richtlijnen, zoals het Bomenkompas voor allergeniciteit, kunnen gemeenten helpen om bij de soortkeuze rekening te houden met de allergeniciteit van bomen. Ook kunnen niet-allergene kruiden op geschikte plekken een alternatief vormen voor gazons en zo de blootstelling aan graspollen verminderen.
Meer informatie
- Lees meer over het onderzoek in het artikel Urban airborne allergenic pollen shows highly local patterns correlated with public green spaces.
- Dit onderzoek is uitgevoerd als onderdeel van het door NWO gefinancierde onderzoeksproject BENIGN.
Tekst: Nemi Dorst, Hortus botanicus Leiden en Naturalis Biodiversity Center
Beeld: Nemi Dorst (leadfoto: Dichte katjes van hartbladige els (Alnus cordata); Irene Kopelman; Ilse Thijssen
