Behoud en herstel van oude duingraslanden
OBN NatuurkennisDe stabiliteit van oude duingraslanden hangt af van de kalkrijkdom, zuurgraad en buffering van de bodem en van het gevoerde beheer. Stikstofdepositie blijft een grote bedreiging voor deze systemen. Afname van de stikstofdepositie in oude duingraslanden leidt niet automatisch tot herstel, mede door de erfenis van veranderingen in de bodem. Beheer vraagt maatwerk, zoals begrazing, maaien, verwijdering van struweel en kleinschalige verstuiving. En omdat herstel van de paddenstoelengemeenschap decennia vergt, is de continuïteit in het beheer ook cruciaal.
Aanleiding en doel
Duingraslanden behoren tot het Natura 2000-habitattype grijze duinen (H2130) en vormen een belangrijk refugium voor zeldzame planten, korstmossen en paddenstoelen. Hun biodiversiteit wordt bepaald door natuurlijke processen als verstuiving, successie en grondwaterinvloed. In het verleden lag het accent op herstel van dynamiek, waardoor vooral jonge stadia aandacht kregen. Oude(re) successiestadia, die vaak een hoge soortenrijkdom herbergen, bleven tot nu toe onderbelicht. Het doel van dit onderzoek was om inzicht te krijgen in de factoren die soortenrijke, oude duingraslanden in stand houden en in effectieve maatregelen voor behoud en herstel.
Kalkarme duingraslanden stabieler dan kalkrijke
Tijdreeksanalyses van vegetatiegegevens van permanente proefvlakken toonden aan dat kalkarme en matig kalkrijke duingraslanden stabieler zijn dan kalkrijke typen, die vaker overgaan in struweel of bos. Zo is sinds 2001 bijna een kwart van de kalkrijke duingraslanden omgevormd naar struweel, bos, heide of soortenarme graslanden. Verzuring, waarbij kalkrijke duingraslanden overgaan naar kalkarme, komt verspreid voor, vooral in het Waddendistrict. Buffering door overstuiving met kalkrijk(er) zand kan lokaal herstel bevorderen.
Veranderingen in bodemchemie
Met het ouder worden van duingraslanden neemt de hoeveelheid organische stof in de bodem toe, en daarmee ook het vochtgehalte (gebaseerd op Ellenberg-indicatorwaarden), aangezien het organisch materiaal vocht vasthoudt. Voedselrijkdom, eveneens gebaseerd op Ellenberg-indicatorwaarden, neemt ook toe, maar de patronen verschillen en worden zeer waarschijnlijk beïnvloed door stikstofdepositie. Er is veel variatie in soortenrijkdom. De soortenrijkdom van vaatplanten stijgt in de beginjaren van successie, maar na ongeveer tien jaar treedt er variatie op. Kalkrijke duingraslanden bevatten gemiddeld meer vaatplanten dan kalkarme duingraslanden. Voor mossen en korstmossen geldt het omgekeerde. Het aandeel aan karakteristieke duinsoorten neemt af naarmate de successie vordert, deels door toename van algemene soorten. De diversiteit aan vaatplanten correleert positief met zuurgraad van de bodem en negatief met organische stof. Ook korstmossen nemen af bij hogere organische stofgehalten.
Belang voor paddenstoelen
Oude duingraslanden zijn cruciaal voor een groep schrale graslandpaddenstoelen. Deze soorten zijn sterk bedreigd: maar liefst 87 procent staat op de Rode Lijst. In Nederland verdween circa 98 procent van deze graslanden en de duinen herbergen nu een groot deel van de resterende groeiplaatsen. Goed ontwikkelde 'wasplaatgraslanden' komen vooral voor op locaties met langdurige begrazing en stabiele grasmatten. Indicatorsoorten zijn onder meer Scharlaken wasplaat (Hygrocybe coccinea) en Grauwe barsthoed (Dermoloma cuneifolium). Bedreigingen zijn stikstofdepositie, verruiging, verstuiving, struweelvorming, afname van konijnen en klimaatverandering.

Bodemleven in oude duingraslanden
DNA-analyses van bodemleven lieten zien dat er duizenden soorten bacteriën en schimmels in de bodem zijn. De schimmelgemeenschap wordt gedomineerd door saprotrofen: organismen die organische stof uit dode materie halen, zoals dood hout en bladeren. Soorten uit de wasplatengroep komen vooral voor in kalkhoudende bodems met een lage aluminium/calcium-verhouding. De schimmel/bacterie-ratio is hoger in kalkrijke gebieden, wat kan wijzen op een grotere rol van schimmels in de nutriëntenkringloop in kalkrijke duingraslanden.
Sturende processen en herstelmaatregelen
Gehouden interviews en literatuurstudie bevestigen het beeld dat buffering, vochtvoorziening en begrazing cruciaal zijn. Begrazing is de belangrijkste maatregel tegen vergrassing, verruiging en opslag van struweel, maar het effect hangt af van de timing, de intensiteit van de begrazing, het type grazer en karakteristieken van het gebied zoals reliëf of productiviteit. Voor herstel van oude successiestadia dient plaggen alleen kleinschalig en ondiep toegepast te worden. Struweelverwijdering lijkt voor kalkrijke duinen te werken, mits gecombineerd met begrazing of regelmatig maaien. Brand wordt niet regulier toegepast, maar kan wel een waardevolle en effectieve toevoeging zijn, bijvoorbeeld bij het omzetten van duindoornstruweel naar duingrasland. Verstuiving kan verzuring tegengaan en de standplaatsvariatie vergroten, maar heeft een negatieve invloed op de paddenstoelengemeenschap van oud duingrasland. Herintroductie van konijnen kan bijdragen aan herstel van open duingrasland.
Meer informatie
- Rapport: Behoud van biodiversiteit in oude duingraslanden. Vegetatie, mycoflora en bodemleven.
- Het onderzoek naar het bodemleven is uitgevoerd in opdracht van OBN Natuurkennis in Driebergen en is gefinancierd door provincie Friesland, provincie Noord-Holland, provincie Zuid-Holland, Dunea, PWN en Waternet.
Tekst: OBN Natuurkennis
Beeld: Camiel Aggenbach (leadfoto: duingrasland in het Noordhollands Duinreservaat); Emiel Brouwer
