Droogte in rivierenland – natuurlijk en ook helemaal niet

ARK Rewilding Nederland
26-JUL-2026 - De Rijn en Waal staan extreem laag, en dat al vroeg in het jaar. Er is weinig sneeuw gevallen in de Alpen en die is ook al vroeg weer gesmolten. Het zand stuift en de nevengeulen liggen droog. Wat is het effect van zo’n lage waterstand op de soorten die er leven? En: is deze droogte de onvermijdelijke toekomst? Niet als het aan ARK Rewilding Nederland en coalitie Ruimte voor Levende Rivieren ligt.

Een groep kokmeeuwen foerageert op het slikkige zand. Een scholekster roept. Twee visdiefjes jagen in een smal geultje. Nee, dit is geen laagtij op het Wad, het is juli 2026 bij de inlaat van de Nijmeegse Spiegelwaal. Niet eerder stond de Waal zo vroeg zo laag. “Laag en hoog water horen bij de rivier, het is een hyperdynamisch gebied”, zegt Twan Teunissen van het team Rivierengebied Oost bij Staatsbosbeheer. “Sommige soorten hebben pech als het ‘s zomers lang laag water is, andere hebben er juist voordeel bij. Op droogvallende oevers gedijen veel pioniersplanten bijvoorbeeld prima: slijkgroen, klein vlooienkruid, ze verschijnen met honderdduizenden. Het zijn planten met haast. Ze gaan snel van zaadje tot plant om het terugkerende water voor te zijn.”

Bruin blauwtje op zachte ooievaarsbek. Insecten in en rond de rivier reageren op de reacties van planten op droogte. “De ooievaarsbek en reigersbek die bij droogte hun kans grijpen, zijn waardplant van het bruin blauwtje, een vrij zeldzame vlinder die dus profiteert. Maar voor een kleine vos is een lang droog voorjaar een verloren jaar voor het nageslacht. Hun waardplant, brandnetel, doet het dan niet best

Andere planten, zoals kleine en zachte ooievaarsbek en reigersbek, groeien hogerop en kunnen behoorlijk goed tegen de droogte. “We zagen in de eerdere droge jaren dat zij juist volop konden kiemen op plekken waar de grassen het loodje legden. Volgend jaar zul je zien dat eenjarige kruiden profiteren op plekken waar het gras nu doodgaat”, zegt Leo Linnartz van ARK Rewilding Nederland. “En nu al zie je dat de diepwortelende, meerjarige kruiden zoals wilde peen, knopkruid en cichorei het goed blijven doen. De droogte stimuleert variatie en dat is waar de natuur op draait.”

Stuifzand is voor pionierplanten ideaal. Ook het warmere klimaat speelt sommige soorten in de kaart, zoals deze pijpbloem op stuifduin langs de Waal

Een keer lange droogte en laag water ‘s zomers is niet zo erg voor veel soorten in het rivierengebied, stelt Teunissen. Maar de steeds grotere verschillen tussen hoog en laag zomerwater zijn andere koek. “In 2024 was het in de zomer juist lang kletsnat. Veel planten trekken die grote verschillen in de grondwaterstand niet, dat vraagt veel veerkracht. Opvallende verliezers zijn dan de bomen van het zachthoutooibos zoals schietwilgen, maar ook soorten van iets drogere plekken zoals meidoorn. De laatste tien jaar stierven er duizenden af. Ze zijn niet gewend aan een extreem lager grondwaterpeil dan normaal.”

Zo natuurlijk is het niet

Hoewel droogte tussen de dijken successie van begroeiing een impuls geeft, is het maar deels een natuurlijk proces. Los van de klimaatverruiging die voor grillige neerslagpatronen zorgt, heeft de zogeheten normalisatie van de rivieren – het insluiten tussen dijken en zomerkades, het rechttrekken van bochten en het aanleggen van kribben – ervoor gezorgd dat het Rijnwater dat op maandag bij Lobith het land binnenkomt op woensdag voorbij Rotterdam de zee instroomt. "Dat is veel te snel, het water krijgt geen tijd om in de bodem te zakken", zegt Bart Beekers, programmaleider Gelderse Poort en Rivieren bij ARK Rewilding Nederland.

Gescheurde klei met slijkgroen, dat razendsnel groeit op drooggevallen grond

“Vanaf 1870 legde de mens de rivier steeds meer vast. Er kwamen kribben en men sloot nevengeulen af, zodat de rivier op haar plek bleef. Het rivierwater kon zo sneller weg en schepen hielden voldoende diepgang om te varen. Maar de rivier begon daardoor wel sneller te stromen en de hoofdgeul verder uit te slijten: elk jaar met anderhalf, twee centimeter. En ze doet dat met steeds méér kracht, want elke centimeter extra diepte geeft de rivier extra energie. Alsof de rivierbodem tussen Lobith en Nijmegen in een eeuw tijd een etage naar beneden is gezakt. Met een dieper uitgesleten hoofdgeul komt er steeds minder rivierwater in het gebied rond de rivier en de rivier trekt ook het grondwater uit de omliggende gebieden. Deze zomer zijn de effecten goed te zien: een magere hoofdstroom, uiterwaarden vol vergeeld gras en kleivlaktes met barsten – waar eerder nog vogels naar visjes doken.”

De gevaren van de inslijtende rivier zijn al veel langer in beeld, vertelt Beekers, maar het probleem wordt steeds nijpender en krijgt nu pas volle aandacht. “De negatieve gevolgen voor de scheepvaart, landbouw, funderingen en drinkwaterwinning nemen toe. In het droge jaar 2018 had scheepvaart nog maar 1,6 meter vaardiepte bij Nijmegen. Dat scheelt tonnen vracht die mee kan.”

Ruimte voor de Rivier 2.0

Het is dan ook niet voor niks dat het stoppen of omkeren van de rivierbodemdaling een van de belangrijke doelen is van Ruimte voor de Rivier 2.0. Op 10 juli heeft de ministerraad besloten om hiervoor in 2027 de meergeulenaanpak te gaan testen. De kern van dit idee is om het water jaarrond te verdelen over meerdere stromen. Zo gaat het water zachter stromen en wordt de slijtkracht minder. Deze geulen kunnen gemaakt worden op een 'harde’ manier, met lange, harde ‘technische’ dammen in de stroomrichting van de rivier. Bij Tiel is hier een voorbeeld van te zien. Het kan ook op een natuur-rijke manier met gegraven geulen en natuureilanden die meerwaarde leveren voor recreatie en toerisme. Deze variant is landschappelijk veel aantrekkelijker. Bart Beekers is met collega's van Bureau Stroming en het Wereld Natuur Fonds een van de bedenkers van deze ‘integrale meergeulenaanpak’, een masterplan voor een levende rivier.

“Cruciaal is om een netwerk van permanent stromende geulen rond de vaargeul te maken waar 10 tot 15 procent van al het rivierwater doorheen stroomt. Het rivierwater kan zich dan weer over een groot gebied verspreiden. De rivier verliest dan aan kracht”, legt Beekers uit. “Door de vaargeul uit het huidige korset van zomerkades en hoge uiterwaarden te halen, herstellen we ook het natuurlijke proces van overstroming in de uiterwaarden. Een eeuw geleden stond er gemiddeld dertig dagen per jaar water in de uiterwaard, nu nog maar vijf! Het maakt het rietmoeras langs de rivier met alle soorten daarin, kansloos.”

Met meer overstroming komt er ook weer een natuurlijke uitwisseling van sediment met de uiterwaarden. “Het begint met het besef dat uiterwaarden geleend zijn van de rivier. Door eroderende krachten at de rivier de uiterwaarden vroeger als het ware op. Dan nam de rivier het sediment dat eerder was blijven liggen weer mee en vulde de rivierbodem verderop vanzelf weer op.”

De zomerdroogte heeft ook veel effect op dieren. Ook hier zijn er soorten die profiteren én die het zwaar hebben. Als waterplassen droogvallen gaat het voortplantingswerk van vissen en amfibieën van dat jaar verloren, en daarmee een nieuwe generatie. Ook sterven er veel vissen, maar dat is weer een feest voor de reigers en ooievaars. Het trekt zelfs wouwen aan

Kans om de riviernatuur te verdubbelen

De coalitie Ruimte voor Levende Rivieren stelt voor om met de grond uit de nieuwe geulen natuureilanden aan te leggen die de vaargeul begrenzen en het water daar opstuwen, net zoals de harde, technische langsdammen dat doen. De eilanden bieden ruimte aan riviernatuur voor planten, dieren en mensen. In de geulen, waar het water zachter stroomt, kunnen waterplanten terugkomen en in het gevolg daarvan insecten, amfibieën, vissen, vogels, bevers en otters. De klei uit de uiterwaarden is geschikt voor de baksteenindustrie.

Een hogere rivierbodem en terugkeer van stromende geulen langs de rivier lost veel droogteproblemen op, zeker in combinatie met meer waterberging in de uiterwaarden. Beekers: “Ruimte voor de Rivier leverde sinds 1990 spectaculair veel riviernatuur op, wel 28.000 hectare. Dat kunnen we in twintig jaar nog eens verdubbelen én daarmee gelijk veel problemen oplossen.” Klimaatverandering met meer laag water ‘s zomers is een gegeven, vult Teunissen aan. “Maar laten we doen wat er kan om de soorten die in dit rivierengebied thuishoren terug te brengen.”

Visdiefje duikt naar prooi

Tekst: Miranda Koffijberg, Communicatiebureau de Lynx en Iris Roggema, ARK Rewilding Nederland
Beeld: Leo Linnartz, ARK Rewilding Nederland; Twan Teunissen, Staatsbosbeheer; Mignon van den Wittenboer, ARK Rewilding Nederland