Waarom groeit Maïs plotseling zo hard?

FLORON
18-JUN-2019 - Wie in agrarisch gebied woont, ziet het in juni ineens gebeuren: het hele voorjaar heb je ruim uitzicht over de maïsakkers en staan de jonge maïsplanten er haast verloren bij. Maar dan ineens schieten ze omhoog en voor je het weet kijk je tegen muren van Maïs aan. In de steden groeien plots de stoepen vol met liefdegrassen, hanenpoten en (andere) gierstachtige grassen. Dit is er aan de hand...
Deel deze pagina

Planten maken met behulp van zonlicht en water glucose aan. Dit proces heet fotosynthese en kan op drie manieren verlopen. C3-planten (ruim negentig procent van alle plantensoorten) maken tijdens dit proces verbindingen met drie koolstofatomen. Dit proces werkt het best bij gematigde temperaturen. C4-planten (ongeveer vier procent) maken verbindingen met vier koolstofatomen. Hiervoor is veel lichtenergie nodig, het gaat dan ook vaak om planten uit (sub-)tropische gebieden. CAM-planten (ongeveer vier procent) draaien het dag-en-nachtritme om. Dit is een goede strategie in hete, droge omstandigheden. 

Maïs is een C4-plant die oorspronkelijk uit Midden-Amerika stamt en daar van oudsher als voedselplant verzameld en gekweekt werd. De Spanjaarden namen het mee naar Europa. Het gedijt pas als de temperaturen, zeker overdag, niet meer beneden de 12°C zakken. Dat is in onze streken vanaf juni het geval. Maar dan blijkt de groei ook razendsnel te gaan door een efficiëntere opname van koolstofdioxide, bij een geringere waterbehoefte. 

StraatliefdegrasDe laatste decennia rukken allerlei C4-planten, met name grassen, vanuit het zuiden op als onkruiden in maïsakkers, langs wegranden en in het stedelijk milieu. In maïsakkers groeien wilde grassen als Europese hanenpoot, Draad- en Pluimgierst vrolijk mee. Die Europese hanenpoot zie je trouwens ook veel langs wegkanten. C4-planten zijn namelijk vaak ook goed bestand tegen (strooi)zoute omstandigheden. 

Een aansprekend voorbeeld van een C4-plant in het bebouwde milieu is Straatliefdegras. In 1958 werd het voor het eerst verwilderd waargenomen in Rotterdam, nu ontbreekt het in vrijwel geen stad of dorp meer. Het zijn niet alleen grassen in deze categorie. In stedelijk milieu doen soorten uit het geslacht Amaranthus het ook goed: Kleine majer, Papegaaienkruid en Franse- en Basterdamarant hebben westelijk en zuidelijk Nederland veroverd. C4-planten hebben nog een voordeel: voor zover er nog onkruidbestrijdingsmiddelen gebruikt worden, is dat meestal vóór de C4-planten hun groeispurt maken en de zaden zijn er ongevoelig voor.

Tekst: Gertie Papenburg, FLORON
Foto's: Joop Verburg (Draadgierst en Maïs); Grada Menting

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen