Bodemonderzoek Harm Smeenge (Bosgroepen)

Historisch landschapsonderzoek Noordoost-Twente biedt kansen voor toekomstige opgaven

Bosgroepen
10-NOV-2020 - Hoe heeft het landschap van Noordoost-Twente zich de afgelopen 15.000 jaar ontwikkeld? En hoe kan die kennis ons helpen bij actuele uitdagingen in dit gebied, en elders in ons land? Harm Smeenge promoveerde op dit vraagstuk met een onderzoek op het snijvlak van aardkunde, ecologie en cultuurhistorie. Deze historisch-landschapsecologische aanpak biedt kansen voor natuur-, water- en landbouwopgaven.

Herstel begint bij het kunnen ‘lezen’ van het landschap

Het is het derde droge jaar op rij, met alle gevolgen van dien. Op het ene moment leidt hevige neerslag tot wateroverlast en erosie, op het andere moment is er sprake van waterschaarste en sterven zelfs bossen af door droogtestress en verzuring van de bodem. Desondanks zijn er veel aanknopingspunten om de biodiversiteit en landschappelijke identiteit te verbeteren. “Herstel begint bij het kunnen ‘lezen’ van het landschap”, aldus historisch landschapsecoloog en promovendus Harm Smeenge. “Dit biedt een kans op een duurzame inrichting van het landelijk gebied.”

Bodemonderzoek geeft inzicht in de landschapsdynamiek door de tijd. Onderin een moerpodzolgrond, ontstaan door een vernattend landschap. Het gele gelaagde pakket bevat stuifzand en is rond 1600 AD afgezet. Vanaf 1700 AD is dit stuifzand met plaggen overdekt en is men het gebied gaan cultiveren. Uit de combinatie van bodemkundig onderzoek, dateringsonderzoek, pollenonderzoek en historisch onderzoek blijkt dat hier in Noordoost-Twente in de afgelopen vierhonderd jaar drie totaal verschillende landschappen aanwezig waren

Wisselwerking tussen aarde, natuur en mens centraal

Harm heeft tijdens zijn onderzoek gewerkt aan een nieuwe methode om de ontwikkelingen van het landschap vanaf de ijstijd tot heden te reconstrueren. Hierbij stond de wisselwerking tussen de aarde, de natuur en de mens centraal. Harm: “Het onderzoek geeft inzichten in de keerpunten die in de afgelopen 15.000 jaar hebben plaatsgevonden. Een beter begrip van de achtergronden van de hedendaagse problemen zorgt ook voor een beter landschapsbeheer. Dat dit werkt, blijkt uit de praktijktoepassing in diverse natuurgebieden in Gelderland, Overijssel en Drenthe die parallel aan het promotieonderzoek bij de Bosgroepen heeft plaatsgevonden.”

Meestal wordt bij landschapsonderzoek vanuit één of hooguit twee hoekpunten naar het landschap gekeken. In dit onderzoek is geprobeerd om zoveel mogelijk in het midden van de driehoek te werken en alle disciplines gelijkwaardig te betrekken 

Cartografie: deze kaart laat het studiegebied zien dat in een ‘ijstijdrivierenlandschap’ ligt

Gebiedseigen oplossingen voor hedendaagse problemen

Deze nieuwe historisch-landschapsecologische aanpak is een goede methode om zowel de huidige als historische ecosystemen te kunnen doorgronden. En dat is nodig, denkt Harm: “Uitleg over de vorming en ontwikkeling van het landschap aan beleidsmakers, terreinbeheerders en bewoners leidt tot draagvlak voor het uitvoeren van inrichtings- en beheermaatregelen op historisch-landschapsecologische grondslag. Zo levert dit proefschrift een belangrijke bijdrage aan gebiedseigen oplossingen voor relevante hedendaagse problemen, zoals verlies aan biodiversiteit en landschappelijke identiteit, klimaatverandering, waterveiligheid, energietransitie en verduurzaming van de landbouw. Actuele problemen worden te vaak bestreden met kortetermijnoplossingen binnen strakke doelkaders of kadastrale grenzen.”

Waterretentie volgens de technocratische (links) en landschapsvolgende benadering (rechts). Het benutten van natuurlijke laagten bij het vasthouden van water dient meerdere doelen

Kennis van gehele (water)systeem biedt kansen

Natuurreservaat Punthuizen: de wijde omgeving van de Dinkel blijkt een ‘ijstijdrivierenlandschap’Water vormt de sleutel om verzuring van de bodem te verminderen, biodiversiteit te verhogen en economische schade door klimaatverandering te beperken, volgens Harm. Als voorbeeld in zijn onderzoek blijkt de wijde omgeving van de Dinkel een ‘ijstijdrivierenlandschap’ te zijn. Dat is nog steeds zichtbaar in de vorm van oude geulen en laagten. Hierin ontstonden in de late prehistorie venen, later heidevelden en recent landbouwgronden. Deze relicten liggen ver buiten de hoofdloop van de huidige Dinkel, maar laten duidelijk zien hoe het complete watersysteem (de hoofdwaterloop met al zijn vertakkingen) functioneerde en later steeds verder werd ingeperkt. “Kennis van het hele systeem biedt kansen voor het vasthouden van water, de opvang van neerslagpieken, koolstofvastlegging en het vergroten van de watervoorraad in de zomer. Dit zijn tevens kansen om de bedrijfsvoering in de landbouw te verduurzamen.” 

Proefschrift en publieksboek

Het proefschrift van Harm Smeenge ‘Historische landschapsecologie van Noordoost-Twente – Acht interdisciplinaire studies op het snijvlak van aardkunde, ecologie en cultuurhistorie (ca. 13.000 BP – heden)’ is in te zien via de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Harm: “De kern van het proefschrift is ook in de vorm van een publieksvriendelijk boek verschenen, ‘Het landschap van Noordoost-Twente’." 

Harm Smeenge, werkzaam bij de Bosgroepen, verrichtte zijn onderzoek bij het Kenniscentrum Landschap (KCL) van de Rijksuniversiteit Groningen. Diverse maatschappelijke partijen hebben dit promotieonderzoek medegefinancierd.

Tekst: Bosgroepen, Rijksuniversiteit Groningen
Foto’s: Elmar Spaargaren (leadfoto: bodemonderzoek door Harm Smeenge bij de Dinkel); Harm Smeenge, Bosgroepen