Leemhoeden en houtsnipperhopen

Nederlandse Mycologische Vereniging
26-AUG-2021 - Leemhoeden vormen met hun dertien soorten in Nederland een relatief klein genus (geslacht). Ongeveer de helft van dat aantal soorten kan op houtsnippers of dood hout groeien. In dit natuurbericht bespreken we er twee van: de Fluweelleemhoed en de Geaderde leemhoed.
Deel deze pagina

Fluweelleemhoed

De leemhoeden vormen een geslacht van dertien soorten in Nederland. Daarvan is de Fluweelleemhoed (Agrocybe putaminum) een betrekkelijk nieuwe soort die voor het eerst in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw werd waargenomen. Sinds de jaren negentig is hij gemeld van 87 atlasblokken in de verspreidingsatlas. Het is een paddenstoel van houtsnipperhopen. In ons land worden door veel gemeenten snipperpaden aangelegd. Hoewel niet bedoeld om op te ruimen, wordt dit 'afval' door schimmels aangetast en voor zover als mogelijk opgeruimd. Het omzetten van deze houtresten in bodemstoffen is dus een nuttige taak van schimmels die daarin gespecialiseerd zijn.

Volgroeide exemplaren Fluweelleemhoed

De kleur van de hoed van de Fluweelleemhoed is okergeel tot donkerbruin, fijn viltig en droog fluwelig. De steel is dicht bezet met kleine vlokjes die het oppervlak het uiterlijk geven van strepen in de lengterichting. Onderaan is de steel verbreed (clavaat), bij de andere leemhoeden is de steel cilindrisch. Het is een stevige paddenstoel zonder ring om de steel. Dat onderscheidt hem van bijvoorbeeld de Vroege leemhoed (Agrocybe praecox), die algemener is, en de kleinere Grasleemhoed (Agrocybe pediades) die op allerlei plaatsen in open, enigzins verstoorde terreinen voorkomt en nog algemener is. Geur en smaak van de Fluweelleemhoed zijn melig. Als aanvullend kenmerk kan nog genoemd worden dat de hoedrand bij uitgroei omhoog gaat staat.

Volgroeide exemplaren van de Geaderde leemhoed

Microscopisch kenmerkend voor leemhoeden zijn de rondachtige cellen waaruit de hoedhuid bestaat. De hoed is van glanzend tot mat, maar bij de Fluweelleemhoed opvallend mat tot zelfs iets ruw, hoewel er geen sprake is van beharing; ze behoren door die hoedhuidstructuur met de breeksteeltjes (Conocybe) en de kleefhoedjes (Bolbitius), waartoe ook het Dooiergeel mestzwammetje behoort, tot de familie van de Bolbitaceae. De bruine tot roodbruine kleur van de sporenfiguur (sporee) is een ander gezamelijk kenmerk binnen deze familie.

Geaderde leemhoed

De Geaderde leemhoed (Agrocybe rivulosa) is in 2003 als nieuwe soort voor de wetenschap beschreven door Marijke Nauta. Sindsdien is deze soort gemeld voor 309 atlasblokken in de Verspreidingsatlas. Het is net zoals de Fluweelleemhoed een soort van houtsnipperhopen. Hij houdt van de vochtige warmte die aan houtsnipperhopen kan ontsnappen door de hoge temperaturen die daarin kunnen ontstaan.

Oudere exemplaren van de Geaderde leemhoed

Op afstand kunnen beide soorten op elkaar lijken (zie foto's), maar van dichtbij vallen twee verschillen al snel op. In vergelijking met de hoedhuid van de Fluweelleemhoed (zie hiervoor) is die van de Geaderde leemhoed geaderd. Het tweede opvallende verschil betreft de fragiele, hangende ring van de Geaderde leemhoed, die ontbreekt bij de Fluweelleemhoed.

Trend

Volgens Boomsluiter (Kijk op Exoten, januari 2018) is het aandeel van de Fluweelleemhoed en de Geaderde leemhoed onder de houtsnipperpaddenstoelen (waaronder ook de Blauwplaatstropharia, de Oranjerode stropharia en de Houtsnipperstropharia) na een aanvankelijke opmars weer afgenomen. Ook bleken alle genoemde soorten in 2015 in minder kilometerhokken voor te komen dan in 1990. Naast klimatologische veranderingen speelt wellicht ook het veranderende gebruik van houtsnippers een rol. Houtsnippers worden relatief vaker ingezet als biomassa ten koste van snipperhopen die langere tijd ergens blijven liggen.

Tekst: Bert Tolsma, Jan Knuiman, Nederlandse Mycologische Vereniging
Foto's: Bert Tolsma (leadfoto: fluweelleemhoed); jan Knuiman