Het zwartgeblakerde stuk huid van een reuzengrondluiaard.
6-NOV-2021 - Naturalis Biodiversity Center herbergt een collectie van circa 42 miljoen objecten, waaronder een stuk mest van een reuzengrondluiaard. Het is meer dan 15.000 jaar oud en maakt al ruim honderd jaar deel uit van de museumcollectie. Modern onderzoek laat zien dat er nog een schat aan informatie verborgen zit in dit oeroude hoopje poep.
Deel deze pagina

De mest is onderdeel van de Kruimel-collectie, vernoemd naar Jan Herman Kruimel, die de collectie in 1909 voor het Zoölogisch Museum Amsterdam (ZMA) aankocht. Alle objecten uit de collectie zijn afkomstig uit de grot Ultima Esperanza, oftewel 'de Laatste Hoop', in Patagonië, zuidelijk Chili. Onder de objecten bevinden zich voornamelijk skeletresten van de reuzengrondluiaard (Mylodon darwinii), maar ook resten van paarden, guanaco’s, beren, poema’s en sabeltandkatten.

1: Twee Mylodon darwinii drollen uit de Mylodon-grot, Zuid-Chili. Het materiaal is opgeslagen in een gesloten container in de Kruimel Collectie van het Naturalis Biodiversity Center in Leiden. 2 en 3: Een drol die het boorgat toont waar het radiokoolstofmonster en pollenmonster van werd genomen

Zwartgeblakerd en gesmolten

Naast skeletresten bevat de collectie ook het uitzonderlijk goed bewaard gebleven hoopje mest en een stuk huid van een reuzengrondluiaard. Dat deze resten in de loop der tijd niet zijn vergaan is te danken aan de lage luchtvochtigheid in de grot. Over het stuk huid valt nog een mooie anekdote te vertellen.

“Het stuk huid in onze collectie is gedeeltelijk verbrand. Dat is iets dat pas na de ontdekking is gebeurd”, vertelt Natasja den Ouden, senior collectiebeheerder van fossielen bij Naturalis. “Naar verluidt was de vrouw van de ontdekker het zo zat dat er zoveel mensen naar dit bijzondere stuk kwamen kijken, dat ze het op het vuur heeft gegooid. Gelukkig is het er weer uitgevist, maar niet nadat een deel zwartgeblakerd en enigszins gesmolten was. Het voordeel daarvan is wel weer dat de bijzondere osteodermen, de huidbeentjes die deze soort als versteviging of als afweer in de huid heeft, goed zichtbaar zijn.”

Dat de stukken uiteindelijk in Amsterdam, en later in Leiden geëindigd zijn is toeval. Eigenlijk was Kruimel helemaal niet op zoek naar dit soort resten. Hij was door professor Max Weber, de toenmalige directeur van het Zoölogisch Museum Amsterdam (ZMA) naar Zuid-Amerika gestuurd om walvismateriaal voor het museum te verzamelen. Eenmaal in Patagonië kwam Kruimel in contact met handelaren die fossielen te koop aanboden. Na overleg met Weber werd besloten om tot aankoop over te gaan. En zo kwamen de botten in Amsterdam terecht. Sinds de fusie van het ZMA met Naturalis maakt de collectie deel uit van de Rijkscollectie die Naturalis beheert.

Steppetoendra

Een selectie van het in de mest aangetroffen pollenHoewel de mest al ruim een eeuw deel uitmaakt van een museumcollectie, is er nog goed modern onderzoek aan te doen. “Om te weten te komen hoe oud het stuk is, hebben we een monster genomen voor koolstofdatering. Deze wees uit dat onze mest ergens tussen 15.927 en 15.522 jaar voor heden (heden is hierbij 1950 gezien de methode) geproduceerd is”, legt legt Bas van Geel, professor in paleo-ecologie en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, uit. Tegelijkertijd met het dateringsmonster is een monster genomen voor ancient DNA-analyse en voor pollenanalyse.

“Helaas leverde het aDNA-monster geen bruikbare gegevens op. Het pollenmonster was echter wel productief”, vertelt Van Geel. De gevonden pollen hoeven niet per se afkomstig te zijn van plantensoorten die het dier gegeten heeft. Pollen verspreiden door de lucht en kunnen daardoor via andere planten, drinkwater of zelfs via het likken van de vacht in het maagdarmstelsel en daarmee in de mest van de reuzengrondluiaard terecht zijn gekomen.

Het onderzoek zegt dus zowel iets over het dieet van de reuzengrondluiaard als over de omgeving waarin hij leefde. De hoeveelheid pollen, alsmede de aanwezigheid van onrijpe pollen van bepaalde soorten wijst er echter wel op dat deze soorten gegeten werden. “Het gaat dan voornamelijk om grassen, maar ook struiken uit de heidefamilie (Empetrum rubrum), kussenvormende planten (Azorella) en Chileense aardbei (Fragaria chiloensis).”

“De reuzengrondluiaard die de mest in de Naturalis-collectie geproduceerd heeft, leefde dus ruim 15.000 jaar geleden, tijdens de opwarming na de laatste IJstijd. Het landschap waarin hij leefde was een steppetoendra met veel grassen en laag groeiende struiken. Onze grondluiaard was een grazer die zijn dieet aanvulde met struiken en laaggroeiende bloeiende planten”, concludeert Van Geel.

Meer informatie

Tekst: Natasja den Ouden, Naturalis Biodiversity Center; Bas van Geel, Universiteit van Amsterdam; en Dick Mol, Natuurhistorisch Museum Rotterdam
Foto's: Naturalis Biodiversity Center (leadfoto: het zwartgeblakerde en gesmolten stuk huid van de reuzengrondluiaard)