Paradijs voor paddenstoelen in de Leidse Hortus
Hortus botanicus LeidenNederland telt meer dan zesduizend verschillende soorten paddenstoelen. In botanische tuinen kun je die vinden op boomwortels, levend of dood hout, houtsnippers, mest, mos, of andere paddenstoelen. Ze leveren een belangrijke bijdrage aan de lokale voedselkringloop.
In de Leidse Hortus worden al eeuwenlang paddenstoelen bestudeerd. Mycoloog Christiaan Hendrik Persoon (1761-1836), van Nederlandse en Duitse afkomst, liep er in 1786 rond. Hij publiceerde zijn bevindingen in 1801 in ‘Synopsis Methodica Fungorum’ – nog altijd het ijkpunt van de wetenschappelijke naamgeving van Roestschimmels, Brandschimmels en Buikzwammen.


Paddenstoelentuintelling
Ruim 225 jaar later, op 11 oktober 2025, deed de Leidse Hortus voor het eerst mee met de jaarlijkse paddenstoelentuintelling onder leiding van mycoloog Jan Hengstmengel. Gewapend met een spiegeltje om onder de hoed mee te kijken voor een blik op sporen, steel en voet, liepen we door de Leidse Hortus. In totaal werden die dag 54 soorten paddenstoelen gevonden. Twee derde daarvan vonden we op dood hout. Mooie voorbeelden van deze zogenaamde saprotrofe soorten waren Echte honingzwam (Armillaria mellea) (beginnend als parasiet), Zwerminktzwam (Coprinellus disseminatus), Doolhofzwam (Daedalea quercina) en Gewoon elfenbankje (Trametes versicolor). De eerste soort was zeer talrijk in de Leidse Hortus en werd die dag in de provincie Zuid-Holland het meest geteld.


Nieuwe soorten
Later in de maand kwamen er nog tientallen soorten bij, waaronder Valse kopergroenzwam (Stropharia caerulea) en Gewoon houtskoolbekertje (Anthracobia melaloma). Deze twee soorten waren nieuw voor de Leidse Hortus. Mycoloog Hans Adema wist de laatste soort microscopisch op naam te brengen.


Ectomycorrhiza
Een zesde van alle waargenomen paddenstoelensoorten leefde samen met bomen. Van de ectomycorrhiza was Eik de meest voorkomende gastheer, gevolgd door Els en Berk. Witte kluifzwam (Helvella crispa) leeft als ectomycorrhiza in de wortels van Eik. Sporen van Eikeldopzwam (Hymenoscyphus fructigenus var. fructigenus) worden verspreid door de Kleine eikelboorder, een snuitkever waarvan de larven in eikels leven.

Parasieten
We vonden ook enkele parasitaire paddenstoelensoorten. Op de monumentale Kaukasische Vleugelnoot groeien al meer dan 30 jaar Dikrandtonderzwammen (Ganoderma adspersum). Het worden er steeds meer, en uiteindelijk zal de boom eraan overlijden, maar dat kan nog tientallen jaren duren. Op de worteluitlopers van de Varenbeuk zagen we Schubbige bundelzwam (Pholiota squarrosa). En op Gewone krulzoom (Paxillus involutus) troffen we Goudgele zwameter (Hypomyces chrysospermus) aan.


Compost- en mospaddenstoelen
Naast Breeksteeltjes (Conocybe sp.) op compost vonden we twee mosgebonden paddenstoelensoorten: Groot mosklokje (Galerina clavata) en Gerimpeld mosoortje (Arrhenia retiruga), beide op Gewoon haakmos (Rhytidiadelphus squarrosus).

Paddenstoelenparadijs
De Leidse Hortus is ooit aangelegd op klei. Maar door plaatselijk ophogen met zand, het planten van bomen, en het laten liggen van dood blad, houtsnippers en stammen, is er de afgelopen eeuwen een paradijs voor paddenstoelen van gemaakt met diverse niches op een relatief kleine oppervlakte. Ook in de tropische kassen zijn paddenstoelen te vinden. Daar heeft Rogier van Vugt samen met een stagiair schimmeldraden van de bioluminescerende Australische lantaarnzwam (Omphalotus nidiformis) geënt op beukenhout. Ook dit jaar kwamen er weer vruchtlichamen tevoorschijn, die in het donker oplichten, zoals op de leadfoto is te zien.
Tekst: Barbara Gravendeel, Jan Hengstmengel en Rogier van Vugt, Hortus botanicus Leiden
Beeld: Rogier van Vugt (leadfoto: bioluminescerende Australische lantaarnzwam); Jan Meijvogel; Barbara Gravendeel; Liesbeth van den Haak; Ton Gordijn
