Kou drijft vogels naar mildere gebieden
Sovon Vogelonderzoek NederlandBegin januari zakte de thermometer in Nederland dagenlang onder nul, een dik pak sneeuw bedekte straten en velden, en sloten en vijvers vroren dicht. Waarom was het zo winters in Nederland? De kou werd veroorzaakt door een pan‑Europese koudegolf, die op zijn beurt werd veroorzaakt door aanhoudende hoge luchtdruk boven IJsland en dalende luchtdruk boven Scandinavië. Hierdoor stroomde steeds koudere lucht uit het noorden naar Nederland. De bovenlucht koelde verder af en de koude luchtlaag werd dikker, wat samen met vochtige lucht resulteerde in zware sneeuwval en strenge vorst. Sneeuw en vorst zitten veel vogels in het algemeen behoorlijk in de weg.
Omgaan met de kou
Sommige vogelsoorten zijn uitstekend aangepast aan winterse omstandigheden. Ze beschikken vaak over een dik verenkleed of vetlaag – zwanen en ganzen bijvoorbeeld – waardoor ze hun lichaamswarmte goed kunnen vasthouden. Daarnaast zijn bepaalde soorten, zoals kraaiachtigen en meeuwen, flexibel in hun voedselkeuze, zodat ze ook bij sneeuw of vorst voldoende te eten vinden. Sommige soorten vertonen vorsttrek, een noodzakelijke verplaatsing die hen helpt de koudste periodes te doorstaan. Zodra open water dichtvriest of de bodem hard of ontoegankelijk wordt, raken essentiële voedselbronnen onbereikbaar en wijken vogels uit. Steltlopers zoals de kievit, wulp, watersnip en houtsnip kunnen in bevroren grond niet meer foerageren, en watervogels en meeuwen verlaten dichtvriezende wateren.
Kust als toevlucht
Zonder bevroren bodem of met minder sneeuw is voedsel wel bereikbaar. Dat verklaart de aantrekkingskracht van de kust: wadplaten, slikken en vaak ijsvrij open water bieden foerageermogelijkheden. En aan zee blijft de temperatuur meestal net iets hoger door het matigende effect van zeewater. Hierdoor smelt de sneeuw sneller en blijft de grond minder lang bevroren. De duinen en kustvegetatie bieden vogels bovendien extra beschutting tegen de wind, waardoor zij hun warmte beter kunnen vasthouden en hun energieverbruik beperkt blijft.
Opmerkelijke aantallen
In de afgelopen periode viel in een groot deel van het land een sneeuwlaag, die in sommige gebieden tot wel tien dagen bleef liggen. Wormeneters als de kievit, houtsnip en watersnip weken massaal uit. Op 10 januari werden bij Westkapelle opvallend veel goudplevieren, kieviten en watersnippen geteld – met mooie aantallen van onder meer de kievit (vierde dag ooit) en watersnip (dagrecord). Ook iets noordelijker in Zeeland, bij Westenschouwen, werden die dag recordaantallen smienten, goudplevieren, kieviten, watersnippen en stormmeeuwen voor die telpost gemeld. Een nachtinventarisatie langs de westkant van Schouwen‑Duiveland, uitgevoerd door Adri Clements en Maarten Sluijter, bevestigde dat beeld. Over een traject van 56 kilometer werden onder andere 752 houtsnippen en 82 watersnippen vastgesteld. Ter vergelijking: half december is er bij mildere temperaturen met dezelfde methode een telling uitgevoerd die resulteerde in ongeveer 100 houtsnippen. Dit wijst op een duidelijke toename van vogels die naar sneeuwvrije gebieden uitwijken om te foerageren.

Zangvogels verplaatsen zich
Sneeuw leidt ook bij tal van zangvogels tot verplaatsingen. In januari 2026 vielen op trektelposten uitzonderlijk hoge aantallen veld‑ en boomleeuweriken op. Waar in eerdere jaren in de eerste januaridagen op landelijk niveau hooguit enkele tientallen veldleeuweriken passeerden, werden nu pieken tot ruim 900 per dag genoteerd (zie figuur). De aantallen boomleeuweriken liepen in de eerste week op tot circa 90 per dag, terwijl ze in afgelopen jaren in dezelfde periode vrijwel niet werden gezien. Ook spreeuwen, graspiepers en waterpiepers waren duidelijk talrijker dan in 2025.

Pieken in aantallen van lijsterachtigen, zoals de kramsvogel, volgden pas in de tweede week van vorst. Het verschil in timing is verklaarbaar. Piepers vertrekken doorgaans eerder uit een gebied tijdens perioden van vorst en sneeuw omdat hun voedselbron vrijwel direct onbereikbaar wordt zodra de bodem bevriest of onder een sneeuwlaag verdwijnt. Deze soorten zijn sterk afhankelijk van zachte grond om insecten, wormen en andere kleine ongewervelden te kunnen oppikken. Wanneer dat niet meer mogelijk is, ontstaat acuut voedseltekort en zoeken ze snel uitwijkplaatsen waar de bodem nog open is. Lijsters daarentegen hebben in de winter een veel flexibeler dieet. Naast regenwormen en insecten eten zij bessen, vruchten en zaden, die beter beschikbaar blijven tijdens vorst. Daardoor zijn zij minder gevoelig voor bodembevriezing en hoeven zij zich pas bij langdurige of extreme kou te verplaatsen.
Terugblik en vooruitzicht
Januari 2026 wijkt duidelijk af van die van de afgelopen vijf jaar. De maand verloopt kouder dan normaal, met sneeuw en temperaturen die tot nu toe ongeveer 1,9 graden Celsius onder het gemiddelde liggen. Daarmee is januari 2026 uitzonderlijk meer winters dan de recente – overwegend zachte – januarimaanden. Het einde van deze koudeperiode lijkt nog niet in zicht. Volgens de weersvoorspelling blijft het de rest van januari overwegend koud, met matige nachtvorst en overdag temperaturen net boven nul. De ecologische impact van zo’n koudeperiode op vogelpopulaties wordt pas later duidelijk. Dat sneeuw en vorst de dagelijkse zichtbaarheid en verspreiding van soorten sturen, staat echter buiten kijf. De waarnemingen rond de kust en in sneeuwvrije delen van het land laten zien hoe dynamisch vogels op winterweer reageren.
Tekst: Caroline van Oostveen, Sovon Vogelonderzoek Nederland
Beeld: Joost van Bruggen (leadfoto: boomleeuwerik); Adri Clements en Maarten Sluijter; Trektellen
