Meervleermuizen in vlucht boven water-Header

Landelijke meervleermuistellingen hard nodig

Zoogdiervereniging
11-JUN-2026 - In het weekend van 12, 13 en 14 juni vindt het landelijke meervleermuistelweekend plaats. In dit weekend zijn er veel vrijwilligers actief met het tellen van kraamgroepen meervleermuizen. Als dat in heel Nederland synchroon gebeurt, krijgen we zicht op hoeveel meervleermuizen er zich in ons land bevinden.

De meervleermuis is een zeldzame vleermuissoort. Nederland is erg belangrijk voor de soort: ongeveer een derde van de totale Europese populatie meervleermuizen ‘kraamt’ in Nederland. Dat betekent dat bij ons de jongen worden geboren en grootgebracht. Onze plassen, meren en kanalen vormen het belangrijkste voedselgebied; de meervleermuis draagt haar naam niet voor niets. Ook weilanden in veenweidegebieden zijn belangrijk voor het voedselaanbod van meervleermuizen.

Waar ‘vinden’ we de meervleermuizen in Nederland?

Verblijfplaatsen van meervleermuizen bevinden zich vrijwel altijd in gebouwen. Het grootste deel van de populatie woont in huizen met zowel een spouwmuur als dakpannen, een kleiner deel in appartementsgebouwen en de rest op kerkzolders en in overige gebouwen. Kraamgroepen variëren in grootte van enkele tientallen tot honderden meervleermuizen. In Nederland zijn kraamkolonies tot nu toe vooral gevonden in het westen en noorden, maar ook in veenweidegebieden in Oost-Nederland. Aan de randmeren van het IJsselmeer en in de buurt van de grote rivieren zijn ook verblijfplaatsen gevonden. In totaal zijn er in Nederland bijna tachtig kraamkolonies van meervleermuizen bekend. De totale populatie wordt geschat op achtduizend dieren.

Meervleermuismoeders met hun pup onder de vleugel. Door de bolling staat de vlieghuid strak gespannen

Monitoring mogelijk dankzij vrijwilligers

Het is een uitdaging om vleermuizen en vleermuispopulaties goed te monitoren. De meervleermuis vormt daar geen uitzondering op. Samen met veel vrijwilligers monitoren we zo goed mogelijk de Nederlandse populatie meervleermuizen. Hiervoor onderzoeken vrijwilligers eerst of de kolonie zich op dezelfde plek bevindt als voorgaande jaren. Kolonies gebruiken namelijk meerdere verblijfplaatsen en kunnen verhuizen, afhankelijk van verschillende omstandigheden, zoals de fase in de kraamperiode of het seizoen. Ook kunnen ze zich als kolonie over meerdere gebouwen verspreiden. Voor een populatietelling is het belangrijk om de gehele kolonie te tellen. Dat betekent dat alle mogelijke verblijfplaatsen van het netwerk tegelijk worden geteld. Het landelijke telweekend vindt plaats nadat de meeste jongen geboren zijn (een meervleermuis krijgt maar één jong per jaar) en de kolonie vaak grotere groepen vormt. Met deze waardevolle data kan er worden gekeken naar lokale en landelijke trends, waardoor er een beeld ontstaat over de status van de Nederlandse populatie meervleermuizen.

Meervleermuis als boegbeeld van zorgen

De meervleermuis is een van de soorten waar in Nederland al jarenlang onderzoek naar wordt gedaan. Daardoor weten we dat het niet goed gaat met deze soort. Sinds 1994 zijn we ongeveer veertig procent aan meervleermuizen kwijtgeraakt.

Bescherming moet beter worden geregeld

Het belang van goede monitoring ligt voor de hand. We moeten echter niet toekijken hoe de trend verder keldert. Een maatregel die de staat van instandhouding kan verbeteren, is bijvoorbeeld natuurinclusief bouwen met robuuste voorzieningen die voldoen aan meervleermuiscriteria. Op het moment zijn er helaas nog weinig bewezen effectieve voorzieningen die de functie van een bestaande kraamverblijfplaats over kunnen nemen. Daarom is een belangrijk aspect het verder in kaart brengen en actief beschermen (in stand houden) van het gehele netwerk van bestaande verblijfplaatsen.

Nieuw onderzoek, nieuwe technieken

Gerichte bescherming vraagt om specialistische kennis en fundamenteel onderzoek naar de ecologie van de meervleermuis. Daarom wordt er, naast het bepalen van de populatiegrootte, onderzoek uitgevoerd naar verschillende aspecten in het leven van de meervleermuis. Er verscheen een internationale studie in 2025 die benadrukte dat klimaatverandering waarschijnlijk een groot nadelig effect gaat hebben op de beschikbaarheid van habitat voor de meervleermuis. Hoe de meervleermuizen hun netwerken gebruiken, welke verblijfplaatsen geschikt blijven en hoe dit doorspeelt in de lokale verspreiding moet blijvend worden onderzocht. Het is belangrijk om voorbeelden van succesvolle mitigatie of gebruik van nieuwe verblijven door te geven. Dit kan bijdragen aan het vinden van duurzame oplossingen.

In recent gepubliceerd Nederlands onderzoek wordt benadrukt dat het moment van gebruik, het aantal verblijfplaatsen en de afstanden daartussen verschilt tussen groepen meervleermuizen. Nieuwe technieken laten het toe om migratie en landschapsgebruik te bestuderen, waarbij bijvoorbeeld GPS-loggers zijn gebruikt om te zien hoe het landschap wordt gebruikt. Tijdens migratieonderzoek naar mannelijke meervleermuizen verbleven individuen in Zuid-Holland tot in half september en begin oktober in gebouwen. Dit benadrukt de kwetsbaarheid en de ontbrekende kennis over de soort in deze periode. Met het oog op de natuurkalender is hier duidelijk meer onderzoek nodig, aangezien vleermuizen in het najaar niet elke avond actief zijn en zo ingesloten kunnen worden. Tellen in het najaar is dus nuttig: mogelijk wordt de locatie (nog) gebruikt!

Meervleermuizen in vlucht boven water

Verblijfplaatsen vinden en behouden

De verblijfplaatsen van bijvoorbeeld laatvlieger, meervleermuis, baardvleermuis, Brandts vleermuis, kleine dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis zijn vaak moeilijk te lokaliseren. Telemetrisch onderzoek – vangen, zenderen en volgen – van deze dieren is hiervoor nu de meest geschikte methode. Dit type onderzoek is zeer geschikt om de netwerken aan verblijfplaatsen in kaart te brengen en kan het beste op provinciale schaal worden ingezet. Woningen die nu als verblijfplaats worden gebruikt, moeten deze functie blijven vervullen totdat volwaardige vervanging van een verblijfplaats gerealiseerd en in gebruik genomen is door de doelsoort. Woningen in de directe omgeving van een bekende verblijfplaats die wat betreft bouw vergelijkbaar zijn, moeten op dezelfde manier worden behandeld.

Het jaarlijks controleren van de verblijfplaatsen levert niet alleen informatie op over de lokale situatie, maar kan ons als onderdeel van een landelijke monitoring grip geven op populatieontwikkelingen. Zonder vrijwilligers is dat niet mogelijk! 

Tekst: Wieneke Huls, Zoogdiervereniging; Mees van Horssen en Anne-Jifke Haarsma, Stichting Ecologisch Vleermuis Onderzoek Nederland
Beeld: Johann Prescher