Matkop

Matkop in de penarie

Sovon Vogelonderzoek Nederland
6-FEB-2026 - Zo simpel als de zang tiuu-tiuuu of de roep pè-pè, zo gecompliceerd is de zachtere en gutturale dreigzang van de matkop. Analoog hieraan zijn de helderheid waarmee matkoppen uit ons bosbeeld verdwijnen en het mysterie rond de oorzaak daarvan. In dit artikel wordt het langlopende project Punt Transect Telling (PTT) van Sovon gebruikt in een poging een stukje aan te leggen bij deze puzzel.

De matkop werd in 1827 ‘ontdekt’ door Thomas Conrad von Baldenstein en kreeg de toevoeging montanus in de wetenschappelijke naam, die verwijst naar gebergte. Dit was om hem te onderscheiden van de veel eerder (in 1551) beschreven glanskop (palustris). In 1831 detecteerde Brehm een derde soort (salicarius), waarbij salicarius verwijst naar wilgen. Dat bleek uiteindelijk dezelfde matkop. Montanus bleef als naam gehandhaafd, maar zowel Engelsen als Duitsers beviel de connectie met wilgen versus moeras, dus die blijft tot op heden bestaan in hun eigen taal: Willow Tit of Weidenmeise voor matkop versus Marsh Tit of Sumpfmeise voor glanskop. Vanwaar dit onzinnige verschil in benaming, dat de bosbewonende glanskop geen eer aandoet? Dreef het kaalgeslagen Europese landschap rond 1830 glans- en matkoppen samen in de meestal vochtige beek- en rivierbegeleidende bossen? Meer voor de hand ligt dat het matkop-glanskopcomplex in 1551 met palustris vernoemd is naar de eigenschappen van de matkop (figuur 1).

Figuur 1. Habitatkeus van matkop en glanskop op basis van karakteristieken op PTT-telpunten in 1978 tot en met 2024, waarbij geldt: hoe groter de bol, hoe meer  mezen. Van de onderscheiden habitats bos, natte natuur, droge natuur, agrarisch, bebouwing en water, vertoonden zowel matkop als glanskop een sterke correlatie met de hoeveelheid bos. Matkoppen kwamen echter nog meer voor wanneer ook een component natte natuur aanwezig was

Overeenkomsten en verschillen met andere mezen

Een typische nestplaats van de matkop: het bovenste holletje in de dode berkenstaak

Matkoppen hebben een grotendeels boreale verspreiding van de Atlantische kust tot in Oost-Siberië, met zuidelijke uitlopers in gebergten, waar het habitat overeenkomstig is met de noordelijke taiga. Het voorkomen in het Europese laagland – zuidelijk tot in Frankrijk en westelijk tot in Wales – zou je afwijkend kunnen noemen. Alleen de zwarte mees heeft een verspreiding die hierop lijkt, zij het dat deze soort gemiddeld iets zuidelijker voorkomt. De overige mezensoorten hebben een Europese verspreiding, minder noordelijk en westelijk van de Oeral.

Alle mezen zijn omnivoor, waarbij ze in het zomerhalfjaar voornamelijk leven van insecten en spinnen. Vooral in het winterhalfjaar wordt dit aangevuld met zaden, die ze kunnen verstoppen om later op te eten. Ze zijn alle in principe sedentair – ze blijven in hun leefgebied – en verdedigen jaarrond een territorium. Vooral jonge vogels kunnen zwerven en bij de meeste soorten, met uitzondering van glanskop en kuifmees, komen soms invasies voor. Alle mezensoorten broeden in holten. Glanskop, pimpelmees en koolmees broeden vooral in natuurlijke holtes in levende bomen, matkop en kuifmees vooral in zelfgehakte holen in dood hout en zwarte mees (naast boomholten) voor een belangrijk deel in holtes in de grond, vaak een ingerotte stobbe.

Een verklaring voor afname

Figuur 2. Trend van de matkop in het PTT in 1980 tot en met 2024, berekend met TRIM door het CBS. A geeft de trend weer zoals hij meestal wordt afgebeeld. De afname lijkt regelmatig, maar bij een vast jaarlijks percentage afname zou de trendlijn geleidelijk steeds vlakker moeten gaan lopen. In het geval van de matkop gaat de afname ieder jaar iets sneller, zoals beter te zien is in B met een logaritmische y-asSinds 1980 neemt de matkop in het PTT ondubbelzinnig af in een tempo dat eerder versnelt dan vertraagt (figuur 2). Er zijn geen verschillen tussen Noord-, Zuid-, Oost- of West-Nederland, of tussen telpunten die worden gedomineerd door moerassig of droger boshabitat. Dat concurrentie met andere mezen een oorzaak zou zijn voor het verdwijnen van de matkop kan in Nederland makkelijk worden ontkracht. De andere mezensoorten zijn tussen 1980 en 2024 (volgens het PTT) namelijk in aantal afgenomen, met uitzondering van de glanskop en pimpelmees, die stabiel bleven.

Voor de vraag waarom matkoppen afnemen, is het misschien goed je af te vragen waarom ze hier in de eerste plaats voorkomen. Bos was tot 1900 in West- en Midden-Europa schaars en kwam gefragmenteerd voor. Het landschap moet over grote oppervlakten onaantrekkelijk zijn geweest voor bosbewonende dieren, inclusief matkoppen. Dat werd anders met de uitvinding van kunstmest aan het eind van de negentiende eeuw. Van Polen tot in Frankrijk werden in enkele decennia tijd miljoenen hectares bos aangeplant. Niet zomaar bos, maar vooral naaldbos. Binnen een jaar of twintig ontstond een walhalla voor matkoppen, met volop wrakke stammen om holletjes in uit te peuteren. Bovendien was dit bos arm aan predatoren.

Predatoren

Als predator van matkopnesten wordt in bijna alle studies de grote bonte specht genoemd. Deze soort was tot halverwege de negentiende eeuw ronduit schaars omdat veel bossen te jong waren, maar is daarna in Nederland sterk toegenomen (figuur 3). Ook boommarters kunnen korte metten maken met matkopnesten. Zij waren lange tijd zeldzaam, met tot aan 1990 alleen een aaneengesloten verspreiding op de Veluwe. Inmiddels komen in alle Nederlandse bossen boommarters voor. Toename van predatoren – in feite herstel van het systeem – is een voor de hand liggende oorzaak voor de sterke afname van de matkop in Nederland.

Figuur 3. Trend van de grote bonte specht in Nederland volgens het PTT en berekend met TRIMMaar hoe werkt dat dan in de boreale zone? Ook daar komen grote bonte spechten en marters voor. Grote bonte spechten fluctueren er met de zaaddracht van naaldbomen, maar de dichtheid lijkt lager. Zo werd bijvoorbeeld in Centraal-Siberië eind twintigste eeuw een dichtheid gevonden van 0,4 tot 0,8 paren per vierkante kilometer, al snel een factor 15 lager dan tegenwoordig in Nederlandse naaldbossen. Ook marters worden in deze noordelijke streken waarschijnlijk gelimiteerd door de extreem harde winters en zullen in lang niet alle jaren talrijk zijn.

Zoals gezegd broeden glanskoppen, koolmezen en pimpelmezen vooral in holtes in levende bomen, waardoor zij minder gevoelig zijn voor predatie door spechten en marters. Maar hoe zit dat met de kuifmees, die niet zo hard afneemt, maar waarvan de nesten nogal wat overeenkomst vertonen met die van de matkop? Een mogelijk voordeel bij kuifmezen is dat ze vaker broeden in de iets steviger grove dennen en minder in de bij matkoppen zo geliefde berken. Niet uit te sluiten is dat deze berken ook vaker worden bezocht door spechten, waardoor de matkopnesten vaker toevallig worden ontdekt. Daar nog achter komen gaat lastig worden, want iedere matkop kan bij wijze van spreken je laatste zijn.

Fietsrondje voor de wetenschap

Met het PTT-project verzamelen we gegevens over de aantalsontwikkeling van vogels die ’s winters in Nederland verblijven. PTT wordt al sinds 1978 georganiseerd en bestaat uit een telling in december vanaf vaste punten langs een route. Vanwege de eenvoudige opzet is dit ‘fietsrondje voor de wetenschap’ populair onder vogelaars. Jaarlijks worden meer dan 650 routes, verspreid door het hele land, geteld. 

Wil jij meer weten of meetellen met PTT? Kijk dan op de projectwebsite. Hier vind je ook hoe je je kunt abonneren op de digitale nieuwsbrief, waarin de telresultaten met regelmaat worden verwerkt in uitgebreide artikelen.

Dit artikel verscheen in het decembernummer van Sovon-nieuws, het ledenmagazine van Sovon Vogelonderzoek Nederland. Leden van Sovon ontvangen Sovon-nieuws vier keer per jaar. Lid worden van Sovon kan al vanaf € 17,50 per jaar.

Tekst: Willem van Manen, Sovon Vogelonderzoek Nederland, met dank aan Rob Bijlsma en Herman van Oosten
Beeld: Caroline van Oostveen; Sovon Vogelonderzoek Nederland; Willem van Manen