Paarse dovenetel in de greep van meeldauw
Nederlandse Mycologische Vereniging, Paddenstoelenonderzoek NederlandMeeldauwen zijn parasitaire schimmels die op het blad en soms ook op stengels, knoppen of vruchten van kruidachtige planten, struiken en bomen voorkomen en een grijzig 'bemeeld' of 'wollig' uiterlijk geven. In de land- en tuinbouw en bij liefhebbers van sier- of moestuinen zijn ze berucht als ziekteverwekkers. Aangetaste bladeren zijn bedekt met een witte, pluizige laag van schimmeldraden (hyfen) en sporen. Het verzwakt de plant, belemmert de groei en kan leiden tot misvorming of afsterving van bladeren.
De hyfenlaag van de schimmel hecht zich aan het blad met speciaal hiervoor gevormde cellen. Om water en voedingstoffen uit de gastheer te halen, dringen de penetratiehyfen met speciale cellen – de haustoria – binnen in een bladcel. De eindcel van deze hyfe zorgt dan voor de opname van water en mineralen. Door hun levenswijze doen de meeste soorten meeldauw het prima bij wat droger weer. Doordat de schimmel vocht van de plant wegzuigt en het licht afschermt, kwijnt de plant weg.

De hennepnetelmeeldauw (Neoerysiphe galeopsidis) valt onder de echte meeldauwen (Erysiphales). Deze kan voorkomen op de Paarse dovenetel (Lamium purpureum) en Hennepnetel (Galeopsis). Paarse dovenetel bloeit momenteel volop, maar Hennepnetel is pas sinds kort aan het ontkiemen. Terwijl Paarse dovenetel al helemaal vol zit met meeldauw, is dit nog lang niet het geval bij Hennepnetel, maar ook deze soort zal er niet aan ontkomen.
Ascomyceten, waar deze meeldauw toe wordt gerekend, kunnen in twee stadia voorkomen: een anamorf (ongeslachtelijk) en een teleomorf (geslachtelijk) stadium. Bij de meeldauwen ontstaan aan de hyfen in de witte hyfenlaag op het blad vertakkingen (conidioforen) waaruit door afsplitsing conidiosporen worden gevormd – dit is de anamorfe vorm. Na verloop van tijd – dit kan soms maanden duren na het eerste verschijnen van de schimmel – ontwikkelt zich het teleomorfe stadium, waarin vruchtlichamen worden gevormd. Dit zijn kleine, ronde bolletjes, de chasmotheciën (in veel literatuur nog cleistotheciën genoemd). De doorsnede kan variëren van 50 tot ruim 250 µm.

Voor het determineren van meeldauwen zijn rijpe vruchtlichaampjes nodig. Alleen zwarte exemplaren zijn bruikbaar. Afhankelijk van de soort kunnen ze aan de boven- en/of onderkant van een blad voorkomen, en soms ook op stengels of kelkblaadjes. Als in de witte laag aan de bovenkant geen vruchtlichaampjes te zien zijn, kan het voorkomen dat ze wél aan de onderkant zitten.
Niet alleen de Paarse dovenetel en de Hennepnetel worden belaagd, ook de meeldauw zelf is niet veilig. Verschillende soorten Lieveheersbeestjes eten meeldauw, zoals het Meeldauwlieveheersbeestje, het Zestienstippelig lieveheersbeestje en het Citroenlieveheersbeestje.
Tekst: Ronald Morsink, Paddenstoelenonderzoek Nederland
Beeld: Ronald Morsink; Tom Visbeek
