Mummiekelkjes wachten hun kans af
Nederlandse Mycologische Vereniging, Paddenstoelenonderzoek NederlandIn totaal komen in Nederland dertien soorten uit het geslacht mummiekelkjes (Ciboria) voor, die op afgevallen zaden en katjes groeien. Een veel voorkomende soort die momenteel te vinden is, is het zeer algemene Elzenkatjesmummiekelkje (Ciboria amentacea), die in maar liefst 474 kilometerhokken in Nederland is aangetroffen. Een soort die over het algemeen iets groter is en gemakkelijker te vinden zou moeten zijn, is het zeer zeldzame Zilversparmummiekelkje (Ciboria rufofusca), die maar in 4 kilometerhokken in Nederland gemeld is. Natuurlijk is Zilverspar lang niet zo algemeen als Els, maar de kegels van ervan zijn behoorlijk groot, dus gericht zoeken zou wellicht nieuwe vondsten op kunnen leveren.
Iedere boom zijn eigen mummiekelkje
Mummiekelkjes zijn specialisten: een mummiekelkje is gebonden aan één boom, struik of plantensoort. Maar het gaat nog verder: op mannelijke en vrouwelijke katjes en zaden groeit steeds weer een andere soort. Zo is er een Elzenkatjes-, Elzenprop-, en Elzenzaadmummiekelkje! De bloeitijden verschillen per soort. De Els en Hazelaar bloeien doorgaans in februari en maart, de Populier en Gagel in maart en april en de Berk in april en mei. In mei en juni kunnen we tenslotte mummiekelkjes vinden op afgevallen zwart geworden vruchtjes van Zegges en Russen en kegels van de Zilverspar. Het is wel goed zoeken, want heel groot en opvallend zijn de mummiekelkjes niet. De bekertjes, waarin de sporen worden gevormd, zijn slechts een centimeter groot. Ze hebben een steeltje dat altijd net lang genoeg is om boven de strooisellaag uit te komen, zodat de sporen verspreid kunnen worden.

Strategie

De strategie die de verschillende soorten mummiekelkjes hebben ontwikkeld, is zeer doeltreffend. Op het moment dat de bloeitijd aanbreekt van de boom, struik of plant, komt het paddenstoeltje tevoorschijn. Het groeit op de afgevallen katjes van vorig jaar, die verspreid op de grond liggen. Gedurende de tijd dat de boom, struik of plant bloeit, verspreiden de mummiekelkjes hun sporen. De sporen komen op de bloeiende en uitgebloeide katjes terecht, die worden geïnfecteerd. De katjes vallen daarna op de grond. Tot het volgende voorjaar leeft de schimmel van de geïnfecteerde katjes, om als de boom, struik of plant weer gaat bloeien, bekertjes te vormen en zo de volgende generatie katjes te infecteren.
In het najaar kun je op vrouwelijke katjes van Els het Elzenpropjesmummiekelkje (Ciboria viridifusca) vinden en op afgevallen en zwart geworden eikels het eikelbekertje (Ciboria pseudotuberosa). Zij infecteren niet de bloei, maar rechtstreeks de vrucht.
Tekst: Ronald Morsink, Paddenstoelenonderzoek Nederland
Beeld: Canva; Aldert Gutter; Laurens van de Linde; Marian Jagers; Gerben Winkel; Ronald Morsink
