Paddenstoelen doorstaan strenge vrieskou
Nederlandse Mycologische Vereniging, Paddenstoelenonderzoek NederlandHet Waaiertje en het Plooivlieswaaiertje zijn twee soorten paddenstoelen die verrassend goed tegen deze winterse omstandigheden kunnen. Momenteel zijn ze veelvuldig te zien op dode stammen en takken van vooral loofbomen.
Waaiertje
Het Waaiertje (Schizophyllum commune) is een prachtige, fotogenieke paddenstoel die heel slim omgaat met droogte en vrieskou. Deze paddenstoel heeft in de celwand een complexe suikerverbinding, genaamd schizophyllan. Deze stof gaat niet alleen bevriezing tegen, maar heeft ook een beschermende functie tegen bacteriën. De lamellen van de paddenstoelen zijn verder overlangs gespleten, waartussen de sporen worden gevormd. Dit helpt in barre omstandigheden. Tijdens droog en koud weer sluiten de lamellen zich en is het kiemvlies waar de sporen gevormd worden goed beschermd. De beharing aan de buitenzijde van het hoedje en de lamellen maken de bescherming compleet.
Het Waaiertje is een zeer wijd verspreide paddenstoel die op bijna elk continent te vinden is. De soort groeit bij ons vooral op dode stammen en takken van onder andere beuk, berk, eik en populier in bossen op droge zandgrond en minder vaak op klei. Je vindt Waaiertjes zelden op naaldbomen. Ze worden tot 4 centimeter groot en zijn aan de bovenzijde helemaal behaard.

Plooivlieswaaiertje
Het Plooivlieswaaiertje (Plicaturopsis crispa) is op het eerste gezicht een fragiel paddenstoeltje. Je zou niet zeggen dat deze paddenstoel tegen vorst bestendig is, maar hij staat juist bekend om zijn herstellende vermogen na een periode van vrieskou. Het Plooivlieswaaiertje is in staat om eenzelfde type complexe suikerverbinding aan te maken als het Waaiertje. Bij zeer droge omstandigheden verschrompelt hij, waarna hij bij temperaturen boven het vriespunt en in vochtige omstandigheden weer wat opzwelt en zelfs verdergaat met overvloedig sporen produceren en verspreiden.
Het Plooivlieswaaiertje is een kleine schelp- tot waaiervormige paddenstoel, met geribde plooien aan de onderzijde waar de sporen op worden gevormd. Aan deze plooien heeft de soort zijn naam te danken. De paddenstoel groeit in grote groepen op stammen en takken van onder andere berk, beuk en hazelaar in bossen en parken op voedselrijke en vochtige bodems. De vruchtlichamen zijn wat kleiner dan die van het Waaiertje, ze kunnen ongeveer 2 centimeter groot worden. In 1989 werd deze soort voor het eerst in Nederland gevonden. Sindsdien heeft het Plooivlieswaaiertje zich in rap tempo verspreid. Tegenwoordig is hij nagenoeg in heel het land te vinden.

Tekst: Paddenstoelenonderzoek Nederland
Beeld: Ronald Morsink; Henk Huijser
