Droog schraalland Mosselsche veld Planken wambuis

Herstel droge schraalgraslanden vraagt om actieve verschraling

OBN Natuurkennis
9-MEI-2026 - Droge schraalgraslanden zijn onmisbaar voor de karakteristieke heidefauna, maar zijn vaak in slechte conditie. OBN-onderzoek wijst uit dat actieve verschraling, met name gericht op het verlagen van fosfaat in de bodem, een noodzakelijke stap is voor herstel. Pas daarna kunnen ‘ecosystem engineers’, zoals mieren, hun invloed laten gelden.

Droge schraalgraslanden vormen een klein, maar belangrijk onderdeel van het heidelandschap. Ze liggen vaak als grazige overgangen tussen de heide en omliggende (voormalige) akkers en vervullen juist daar belangrijke functies voor karakteristieke heidefauna. Om te begrijpen hoe het momenteel met deze graslanden gaat, doken onderzoekers van Stichting Bargerveen, in opdracht van OBN Natuurkennis, in de ontstaansgeschiedenis, bodemchemie, vegetatie en fauna van vier representatieve heidelandschappen: Drentsche Aa, Planken Wambuis op de Veluwe, Nationaal Park De Hoge Veluwe en Putberg & Strabrechtse Heide. Kennis over welke factoren een rol spelen, kan helpen bij een beter herstel en beheer van deze schraallanden.

Zandblauwtje (Jasione montana)

Uiteenlopende geschiedenis

De gekozen gebieden laten mooi zien hoe divers de achtergrond van droge schraalgraslanden kan zijn: van oude akkers die tientallen jaren geleden uit gebruik raakten tot grazige vegetaties die spontaan ontstonden op langzaam vastgelegd stuifzand. De ontstaansgeschiedenis bepaalt sterk hoe de bodem er nu uitziet, en die bodem bepaalt wat er aan planten en dieren kan leven. Op basis van fosfaatbeschikbaarheid, zuurgraad en organische stofgehalte zijn de onderzochte graslanden in drie typen in te delen: randzones, matig verrijkte akkers en sterk verrijkte akkers. In het veldonderzoek onderzochten ze vooral de schraallanden met een landbouwkundige oorsprong of de randen daarvan.

De randzone is optimaal

Van die drie typen is de randzone ecologisch het waardevolst voor karakteristieke soorten van droge schraallanden. Hier komen een open vegetatiestructuur, zure bodemcondities, iets verrijkte bodem, kleinschalige variatie in de bodem en een hoog nectaraanbod samen. Precies de combinatie die veel heidegebonden soorten nodig hebben. Karakteristieke vlinders als de kleine vuurvlinder, het hooibeestje en de metaalvlinder komen hier voor, net als de veldsprinkhaan, het zoemertje en de sikkelsprinkhaan. Op de in het verleden sterk verrijkte akkers daarentegen domineren generalistische soorten die ook in voedselrijkere graslanden kunnen gedijen – de karakteristieke heidefauna heeft er juist weinig te zoeken.

Kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas)

Mieren alleen in schrale situaties sturend

In dit onderzoek werd ook een kenmerk onderzocht dat minder sturend bleek te zijn dan vooraf verwacht: de invloed van mieren op de vegetatiestructuur. Mieren komen in alle typen schraalland voor, in vergelijkbare dichtheden. Wel zijn er meer mieren en meer plantensoorten aanwezig op plekken met een droger, opener en warmer microklimaat. De onderzoekers concluderen op basis van die resultaten dat de voedselrijkdom bepaalt of mieren in staat zijn om de vegetatieontwikkeling te sturen. In voldoende open, warme vegetaties kunnen ze waarschijnlijk bijdragen aan kleinschalige variatie, maar ze lijken gesloten, voedselrijke graslanden niet zelf open te kunnen maken.

Gele weidemier (Lasius flavus)

Eerst de fosfaatvoorraad omlaag

De centrale boodschap van de onderzoekers is helder: als we deze randzones van hoogwaardig, droog schraalgrasland willen uitbreiden in die voormalige akkers, moeten de fosfaatgehalten nog fors dalen. Met alleen begrazing lukt dat meestal niet. Wat wél kan werken is oppervlakkige ontgronding, uitmijnbeheer of tijdelijk akkeren met gewassen als boekweit, die fosfaat actief uit de bodem halen. Ontgronding is daarbij niet altijd vereist – de doelen voor fosfaatgehalten die behaald moeten worden om droge schraallandvegetatie te ontwikkelen, zijn minder streng dan voor bijvoorbeeld stuifzand, droge heide of heischraal grasland. Wanneer de fosfaatconcentratie gedaald is, kan extensieve begrazing deze systemen vervolgens open en dynamisch houden. Naast de verschraling van verrijkte akkers is het behoud van open randzones essentieel. Juist die smalle overgangszones herbergen nu de meeste karakteristieke soorten, en verdienen daarom een prominente plek in het beheer van heidelandschappen.

Meer informatie

Tekst: OBN Natuurkennis
Beeld: Kevin Geurts (leadfoto: droog schraalland Mosselse Veld, Planken Wambuis); Jan Kuper; Luc Hoogenstein, Saxifraga