Zeggekorfslak ontdekt in de Kop van Noord-Holland

Stichting ANEMOON
7-JUN-2026 - Onlangs werd voor het eerst een populatie van de Zeggekorfslak ontdekt in de Kop van Noord-Holland. Deze in Europa zeldzame en kwetsbare landslak staat op Bijlage II van de Habitatrichtlijn. In Natura 2000-gebieden gelden specifieke beschermingsmaatregelen. Daarbuiten is bescherming niet automatisch gewaarborgd, maar deze soort verdient ook daar zorgvuldige aandacht bij beheer.

De Zeggekorfslak vertegenwoordigt bepaalde specifieke en kwetsbare kwel- en drasgebieden in ons land. Het voorkomen is beperkt en vooral bekend uit Natura 2000-gebieden. Een onlangs ontdekte vindplaats in de Kop van Noord-Holland ligt daar ver buiten. Een spannende ontdekking van deze bijzondere soort in een tijd waarin de biodiversiteit in ons land onder druk staat en het met nog slechts 22 procent van de soorten van de Habitatrichtlijn goed gaat.

Ontdekking

In een monster genomen nabij een draszone langs het Waardkanaal in Noord-Holland trof Wim Langbroek, hydrobioloog bij Stichting Waterproef, eind 2025 onverwacht een korfslak aan die daar nog niet eerder was aangetoond. Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Zijn vermoeden dat het ging om de Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana) werd bevestigd door waarnemers van Stichting ANEMOON. Tijdens een korte verkenning ter plaatse namen zij meerdere levende exemplaren waar op onder andere Lisdodde, zeggesoorten en Riet. Dit is niet alleen de eerste keer dat deze landslak in de Kop van Noord-Holland is aangetoond, maar ook de eerste populatie in het gebied boven het Noordzeekanaal. Nader onderzoek moet uitwijzen wat de omvang van de populatie is, wat de begeleidende malacofauna (weekdierfauna) is en of de Zeggekorfslak op nog andere, vergelijkbare plaatsen in de omgeving leeft.

Zeggekorfslak op vegetatie (onder andere Lisdodde) in de Kop van Noord-Holland, omgeving Waardkanaal, in april 2026

Monitoren voor Europa: HabSlak-project

In Nederland leven twee soorten korfslakken die in Europees verband beschermd worden. De ene is de Nauwe korfslak (Vertigo angustior), die onder meer lokaal in de Hollandse duingebieden voorkomt, en de andere is de Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana), die voornamelijk voorkomt in kwel- en drasgebieden langs oevers van meren en andere wateren en moerassen. In ons land wordt deze soort gemonitord binnen het HabSlak-project van Stichting ANEMOON, dat behalve beide korfslakken nog andere weekdieren van de Habitatrichtlijn volgt. HabSlak maakt deel uit van het NEM: het landelijke Netwerk Ecologische Monitoring dat gegevens levert aan de Europese Unie. Nederland rapporteert de Europese Commissie elke zes jaar over de staat van instandhouding van Habitatrichtlijnsoorten. Onder meer over de verspreiding, populatieontwikkeling, kwaliteit van het leefgebied en het toekomstperspectief.­

Bescherming

De Zeggekorfslak staat vermeld op Bijlage II van de Europese Habitatrichtlijn. Voor soorten op deze bijlage zijn specifieke beschermingsgebieden aangewezen. In Nederland gaat het daarbij steeds om Natura 2000-gebieden. Buiten Natura 2000-gebieden, waar de nu ontdekte populatie voorkomt, geeft deze status geen automatische juridische bescherming. Dit betekent echter niet dat een bekende vindplaats genegeerd kan worden. Zeker als deze Europees zeldzame en kwetsbare soort voorkomt in een klein en gevoelig leefgebied, is het belangrijk dat beheerders hun best doen de biotoop en populatie te ontzien en behouden.

Dat is ecologisch gezien belangrijk. Geïsoleerde kleine vindplaatsen kunnen cruciaal zijn voor de spreiding van de soort in Nederland. Als die verdwijnen neemt niet alleen het aantal dieren af, maar versnippert en krimpt ook het Nederlandse areaal van de soort. Vindplaatsen buiten Natura 2000-gebied dragen ook bij aan de samenhang van het verspreidingsgebied. Ze vormen als het ware extra schakels in het netwerk van leefgebieden en spelen een rol bij aanvulling of herstel van populaties in beschermde gebieden.

Landelijk beeld

Voor de Zeggekorfslak is de NEM-monitoring primair gericht op het landelijke beeld. In het kader van het VVM (Verbeterprogramma VHR Monitoring, vroeger de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)) wordt momenteel onderzocht of ook betrouwbare uitspraken mogelijk zijn op kleinere schaalniveaus, zoals provincies en afzonderlijke Natura 2000-gebieden. Daarbij wordt bekeken of veranderingen bijvoorbeeld per drie jaar kunnen worden beoordeeld. Beheerders hebben dan sneller informatie over ontwikkelingen in populaties en leefgebieden. Aanvullend op de NEM-monitoring laten provincies in Natura 2000-gebieden soms extra onderzoek uitvoeren. Dat gebeurt behalve door Stichting ANEMOON soms ook door andere partijen. Het werken volgens het geldende protocol is daarbij vanzelfsprekend belangrijk vanwege de uniformiteit van monitoringgegevens en de inbedding in het NEM.

Vinden, volgen en vergelijken

In de Europese rapportage wordt de verspreiding (range) van onder andere de Zeggekorfslak uitgedrukt op het niveau van 10 × 10 kilometerhokken. Kleine en verspreid liggende populaties zijn belangrijk omdat ze kunnen bijdragen aan het behoud van het landelijke verspreidingsbeeld en daarmee aan het Nederlandse areaal van de soort. Specifiek voor de Zeggekorfslak zijn in Nederland diverse monitoringlocaties aangewezen, die vaak weer uit meerdere sublocaties bestaan. Dat is nodig omdat de soort zeer plaatselijk leeft en bij één korte zoekactie kan worden gemist.

Monitoring is vooral gericht op het zorgvuldig vaststellen van veranderingen van de aan- of afwezigheid. Het CBS, dat zorgdraagt voor de kwaliteitsborging van NEM-meetnetten, gebruikt deze gegevens om trends te berekenen op basis van de bezetting van locaties. Het toepassen van sublocaties is nodig om te kunnen corrigeren voor veranderingen in trefkans.

De Zeggekorfslak is geen opvallende of grote soort. Het dier leeft deels verborgen op zeggesoorten en andere oeverplanten in drasgebieden. Om de slak te vinden is speurwerk nodig (én een goede loep)

Veranderingen op gebiedsniveau

Resultaten van de monitoring worden onder meer ontsloten via het Compendium voor de Leefomgeving. Hoewel op dit moment het landelijke areaal van de Zeggekorfslak ten opzichte van de periode 2002-2011 niet is afgenomen, nam het aantal bezette locaties wel af. Daarnaast is bekend dat lokale veranderingen veel groter kunnen zijn. Aanvullend onderzoek in 2019 in Limburgse bronbossen liet een sterke afname zien van deze indicatorsoort voor zowel ongestoorde oevervegetaties als kwel in bronbossen, als gevolg van met name verdroging en verruiging. Dit toont aan dat naast landelijke monitoring ook aanvullende aandacht op gebiedsniveau belangrijk is.

Geïsoleerde ligging

De populatie in de Kop van Noord-Holland ligt ver van andere bekende vindplaatsen en buiten de Natura 2000-gebieden. Mocht uit gepland nader onderzoek blijken dat het inderdaad een sterk geïsoleerde populatie betreft, dan is uitwisseling met andere populaties beperkt. Verdwijnt zo’n lokale populatie, dan is natuurlijk herstel door herkolonisatie zeker niet vanzelfsprekend. Het is bovendien niet uitgesloten dat in de omgeving nog ander geschikt leefgebied aanwezig is. In beide gevallen is deze nieuwe vindplaats belangrijk: óf als kwetsbare buitenpost van de soort, óf als aanwijzing voor een groter netwerk van leefgebieden dan tot nu toe bekend was.

Kwetsbare populaties

De specifieke microhabitat van de Zeggekorfslak bevindt zich in vochtige, vaak ruigere moeras- en oevervegetaties met grote zeggen of vergelijkbare planten. De dieren leven onder andere van roesten en andere bladschimmels en zijn afhankelijk van een speciale combinatie van vocht, vegetatiestructuur en microklimaat. Ze brengen hun hele leven op de vegetatie door en kunnen niet gemakkelijk uitwijken naar een andere plek in de omgeving. Hoewel de bescherming van populaties binnen Natura 2000-gebieden in principe gewaarborgd is, zijn populaties niet vanzelf robuust. Zelfs niet als het beheer zorgvuldig wordt uitgevoerd. Een ogenschijnlijk kleine ingreep kan al bepalen of een populatie standhoudt, wegkwijnt of verdwijnt. Voorbeelden zijn maaien of het laten begrazen van een oever, het in één keer verwijderen van de vegetatie, een maaibeurt op een verkeerd moment, dempen of vergraven van een slootrand, of het laten verdrogen van de groeiplaats.

Vindplaatsen buiten Natura 2000-gebieden zijn daarom ecologisch wel degelijk ook van betekenis. Ze dragen bij aan de samenhang van het verspreidingsgebied en kunnen een rol spelen bij aanvulling of herstel van populaties in beschermde gebieden. Ze vormen als het ware extra schakels in het netwerk van leefgebieden.

Waardevol

De ontdekking in de Kop van Noord-Holland laat zien hoe waardevol gericht zoeken is binnen het kader van het Netwerk Ecologische Monitoring en het HabSlak-project. Een soort die jarenlang onopgemerkt was, werd opeens gevonden waar niemand haar verwachtte. Dat maakt zulke ontdekkingen extra spannend. Uit het onlangs verschenen Statusrapport Nederlandse Biodiversiteit 2026 blijkt dat de Nederlandse natuur onvoldoende voldoet aan de gestelde beleidsdoelen; de biodiversiteit in ons land staat onder druk. Van de soorten in de Habitatrichtlijn gaat het slechts met 22 procent goed. De oorzaken van de problemen in onze natuur – stikstof, versnippering, pesticiden en nog veel meer – lopen uiteen en versterken elkaar. Een buiten Natura 2000-gebied gelegen geïsoleerde populatie van een soort van de Habitatrichtlijn vraagt om zorgvuldigheid. Juist omdat we nog niet goed weten wat deze populatie betekent, is zorgvuldig omgaan met de vindplaats de enige verstandige keuze.

Beheer

Voor deze populatie betekent zorgvuldig beheer niet dat er niets meer kan of mag, maar wel dat een aanpak met kennis van zaken essentieel is om onnodige schade te voorkomen. Voer werkzaamheden gefaseerd uit via sinusbeheer (laat voldoende oevervegetatie staan), adaptief beheer (aangepast op basis van weer, monitoring en soortenontwikkeling), voorkom verdroging, leg geen maaisel of bagger op de groeiplaats en laat goed vaststellen waar de soort wel en niet voorkomt. Vervolgonderzoek is hoe dan ook belangrijk: pas als duidelijk is hoe groot de populatie is en of er in de omgeving andere vindplaatsen zijn, kan worden beoordeeld hoe bijzonder en kwetsbaar deze populatie is.

De Zeggekorfslak – derde van links plus foto –  bereikt grotere afmetingen dan twee andere korfslaksoorten die soms in Nederlandse drasgebieden te vinden zijn, maar er komen ook Zeggekorfslakken voor van een iets kleiner formaat. Uiterst links: Dikke korfslak (Vertigo antivertigo), midden: Dwergkorfslak (Vertigo pygmaea)

Zoekbeeld Zeggekorfslak

Een 'zoekbeeld' is een mentaal model dat je selectieve aandacht aanstuurt. Heb je het onderwerp waarop je gaat letten en dus het juiste zoekbeeld eenmaal helder, dan ontdek je een soort voortaan eerder en beter. Zoekbeeld is ook de titel van het nieuwsblad van Stichting ANEMOON voor waarnemers, vrijwilligers, medewerkers en andere geïnteresseerden. Hierin verschijnt binnenkort een wat uitgebreider artikel over de Zeggekorfslak in de Kop van Noord-Holland. Gebaseerd daarop volgt hier tot slot nog een korte karakterschets van deze bijzondere slak:

  • Terrestrische (landbewonende) huisjesslak.
  • Huisje (horentje) maximaal 3 millimeter hoog (desondanks Nederlands grootste korfslak).
  • Lichtbruin tot roodbruin tonvormig huisje (horentje), met 4 tot 5 vrijwel gladde windingen en 5 tot soms 6 tandplooien in de mondopening.
  • Europees beschermde soort. Als kwetsbaar op de Rode Lijst van Nederland. Leeft in oeverzones en moerasgebieden met een dichtbegroeide tot ijle ondergroei van onder andere zeggeplanten, waaronder Moeraszegge (Carex acutiformis), Pluimzegge (Carex paniculata), Oeverzegge (Carex riparia), Liesgras (Glyceria maxima) en Riet (Phragmites australis). Vaak komen in zulke vegetaties ook Grote egelskop (Sparganium erectum) en Bosbies (Scirpus sylvaticus) voor.

Tekst: Rykel de Bruyne, Tello Neckheim en Adriaan Gmelig Meyling, Stichting ANEMOON
Beeld: Adriaan Gmelig Meyling (leadfoto: Zeggekorfslak kruipend op een blad van een zeggesoort;) Tello Neckheim; PICTAN; Rykel de Bruyne