Primeur: priemvetmuur na 73 jaar terug van weggeweest
StaatsbosbeheerWaarom zijn de zandplekken op de Sallandse Heuvelrug zo belangrijk?
De Sallandse Heuvelrug ligt op een stuwwal die ongeveer 150.000 jaar geleden, tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien, is ontstaan. De bodem bestaat uit leemhoudende en grindrijke zanden en plaatselijk verstoven dekzanden. De heuvelrug omvat een groot, open heidegebied met droge en vochtige heide, vennen, en jeneverbesstruwelen, omgeven door onder andere grove-dennenbos, berken-eikenbos en eikenstrubbenbos. Met bijna 1.500 hectare is dit het grootste aaneengesloten droge heidegebied van West-Europa. Het gebied is van groot belang voor kenmerkende heidesoorten. Hier komt het korhoen nog voor, als enige locatie in Nederland. Ook voor soorten als de zandhagedis, nachtzwaluw en blauwvleugelsprinkhaan is de Sallandse Heuvelrug een belangrijk gebied. Vanaf 1985 is begonnen met het omvormen van bos naar heide om het heideareaal in het centrale deel van het gebied te vergroten. Inmiddels is ruim 500 hectare omgevormd. Ook op de plek waar priemvetmuur is gevonden, vonden recent omvormingswerkzaamheden plaats. In 2019 stond hier nog naaldbos met soorten als douglasspar, Japanse lariks en grove den.
Daarnaast zijn vanaf 2020 op terreinen van Staatsbosbeheer verspreid over de heide 144 zandplekken aangelegd. Hierbij werd de toplaag van de bodem afgegraven tot op de C-horizont, waardoor open zandplekken ontstonden. De zandplekken variëren in vorm en grootte en beslaan 50 tot 200 vierkante meter. Aan de noordzijde is telkens een steilkant aangelegd. Het open zand en de steilkanten bieden nestgelegenheid voor bodemnestelende bijen en andere insecten. Ook de zandhagedis gebruikt deze plekken om op te warmen, te foerageren en eieren af te zetten. De zandplekken liggen in structuurrijke heide met veel variatie in opbouw en leeftijd. In de lagere delen van sommige zandplekken zijn bovendien vochtige plekken ontstaan, waar zich vochtminnende planten kunnen vestigen. Op precies zo’n vochtige plek werd priemvetmuur gevonden.

Herkenning van priemvetmuur
Priemvetmuur wordt niet groter dan de algemeen voorkomende soorten liggende, uitstaande en donkere vetmuur. Zoals al genoemd, zijn de bloemen echter een stuk opvallender. Dat komt doordat de kroonbladen aanzienlijk groter zijn, waardoor de bloem een diameter van 4 tot 5 mm heeft. Dat is nog steeds behoorlijk klein, maar de bloemen van andere vetmuursoorten zijn vaak veel kleiner doordat de kroonbladen daar nauwelijks ontwikkeld of zelfs volledig afwezig zijn. Priemvetmuur bloeit doorgaans later dan de algemene soorten. Met een loep is te zien dat priemvetmuur van top tot bodem bezet is met gesteelde klierharen. Een laatste onderscheidend kenmerk is de opvallend lange naald aan de uiteinden van de priemvormige blaadjes.

Ecologie en historische verspreiding
In totaal zijn 14 historische vindplaatsen van priemvetmuur bekend. De soort is voor het laatst in 1953 waargenomen in Nederland, nabij Denekamp, ongeveer 45 kilometer ten oosten van de locatie waar zij nu is herontdekt. Dit illustreert hoe geschikt biotoop voor de soort in Nederland steeds schaarser is geworden: heidegebieden zijn verdwenen, verdroogd of dichtgegroeid. Behalve in Overijssel is de soort vroeger ook waargenomen in Drenthe, Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Holland. Priemvetmuur werd in Nederland voornamelijk gevonden in heidegebieden en bermen op voedselarme, vochtige, zure en stenige zandbodems. De vindplaats op de Sallandse Heuvelrug past goed binnen dit beeld: de planten staan in het laagste deel van de stuifkuil waar de bodem duidelijk vochtiger is.
Kort na de ontdekking is de vindplek opnieuw bezocht om herbariummateriaal te verzamelen en een vegetatieopname te maken. Binnen een opname van slechts twee bij één meter bleken ongeveer 250 exemplaren te groeien, variërend van kiemplanten met een enkele stengel tot grotere exemplaren. De kruidlaag bedekte slechts 15 procent van het oppervlak, maar de moslaag bedekte maar liefst 60 procent en bestond vooral uit grijs kronkelsteeltje. Grijs kronkelsteeltje is een invasieve exotische mossoort die een grote bedreiging vormt doordat zij open stuifzanden kan laten dichtgroeien. Hopelijk zorgt de relatief vochtige standplaats ervoor dat deze mossoort niet verder zal domineren en er voldoende open zandgrond aanwezig blijft. Begeleidende soorten zijn ruig haarmos, dwergviltkruid, zandblauwtje, schapenzuring, bochtige smele, pitrus, struikheide, pilzegge, gewoon biggenkruid, zandstruisgras en jonge opslag van grove den en ratelpopulier.

Herkomst en toekomst
Dat deze soort na zo veel jaar afwezigheid weer in Nederland is gevonden, roept vragen op. Er worden namelijk ook diverse cultivars (cultuurvariëteiten) van priemvetmuur als tuinplant verkocht. Deze cultivars lijken echter geenszins op de wilde vorm. Ze vormen geen kleine, losse rozetjes, maar dichte, aaneengesloten matten en worden bovendien dubbel zo hoog. Deze cultivars worden daarom als bodembedekkers toegepast. De aangetroffen planten vertonen deze kenmerken niet en behoren duidelijk tot de wilde vorm. Bovendien ontbreken in de directe omgeving voor de hand liggende bronnen voor introductie, zoals tuinen of tuincentra, waardoor een lokale introductie minder waarschijnlijk lijkt, en ligt de vindplek in een gebied waar wandelaars niet van de paden af mogen.
Priemvetmuur heeft zaden die één tot vijf jaar kiemkrachtig blijven. Dat de soort uit de zaadbank opgekomen is na het graven van de stuifkuilen is daarmee erg onwaarschijnlijk. Het gebied bestaat verder vooral uit droge, dichte heiden en bossen. Dat de soort hier al deze tijd een verborgen bestaan heeft geleid, is evenmin erg waarschijnlijk, maar zeker niet onmogelijk. Een plausibele verklaring is daarom dat priemvetmuur Nederland recent opnieuw heeft bereikt vanuit een populatie in het buitenland. De zeer kleine zaden kunnen over grotere afstand worden verspreid, maar hoe de soort precies op de Sallandse Heuvelrug terecht is gekomen, blijft voorlopig onbekend. Of priemvetmuur hier blijvend vaste voet krijgt, zal mede afhangen van het open én vochtig blijven van de stuifkuilen. Aangezien het open houden van de stuifkuilen ook belangrijk is voor de insecten en hagedissen, kan gericht beheer ervoor zorgen dat priemvetmuur hier kan standhouden en mogelijk zelfs kan uitbreiden naar andere stuifkuilen die periodiek vochtig zijn. De vondst laat daarmee zien dat gerichte natuurontwikkeling werkt: door open, vochtige plekken in de heide terug te brengen, kunnen zelfs lang verdwenen soorten opnieuw een kans krijgen.
Vanwege de kwetsbaarheid van deze soort en omdat het gebied niet vrij toegankelijk is, is ervoor gekozen om de precieze vindplek voorlopig niet openbaar te maken. De soort zal worden gemonitord en als blijkt dat zij zich weet te handhaven, kan de vindplaats mogelijk onder begeleiding worden bezocht.
Tekst: Niels Eimers, Waarneming.nl; Bart de Knegt, Wageningen University & Research; Jeroen Noordhoek, Witteveen+Bos; Rick Ruis, Staatsbosbeheer
Beeld: Niels Eimers; Bart de Knegt
