Roofvogels en windturbines: verschillen in vlieggedrag verklaren verschillen in aanvaringsrisico
Grauwe Kiekendief - Kenniscentrum AkkervogelsIn 2017 hebben we al eens zenderdata van kiekendieven uit Nederland geanalyseerd om het aanvaringsrisico met windturbines te bepalen. De afgelopen jaren is dit onderzoek uitgebreid in het kader van een Frans-Nederlands promotietraject. Nu is het vlieggedrag van 6 soorten roofvogels – grauwe kiekendief, blauwe kiekendief, bruine kiekendief, buizerd, rode wouw en slangenarend (figuur 1) – in 15 gebieden in Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en Zweden onderzocht. In totaal zijn 280 individuen – allemaal adulte broedvogels – met behulp van GPS-zenders gevolgd.

Verschillen in vlieggedrag tussen soorten
Het aanvaringsrisico wordt in hoge mate bepaald door hoeveel vogels vliegen en de hoogte waarop ze vliegen. Als eerste werd de gemiddelde dagelijkse vliegtijd tijdens het broedseizoen (van mei tot augustus) berekend. We vonden grote verschillen tussen de roofvogelsoorten: grauwe kiekendiefmannetjes vlogen bijvoorbeeld 5 keer zoveel als buizerdmannetjes (8,3 uur per dag tegenover 1,7 uur per dag, zie figuur 2d). Maar ook de vlieghoogtes verschilden tussen de soorten. Het aandeel van de vluchten op rotorhoogte (32 tot 200 meter), oftewel in de gevarenzone, was aanzienlijk hoger bij buizerd, rode wouw en slangenarend (45 tot 56 procent), dan bij de 3 soorten kiekendieven (12 tot 21 procent, figuur 2b).

Rode wouwen en slangenarenden vaker in gevarenzone
Om tot een ‘aanvaringsrisico-index’ te komen, werd de op rotorhoogte doorgebrachte tijd berekend door de gemiddelde vliegtijd met het aandeel vluchten op rotorhoogte te vermenigvuldigen. De 3 soorten kiekendieven vlogen veel, maar zelden op rotorhoogte, terwijl buizerds weinig vlogen, maar vaak op rotorhoogte. Uiteindelijk brachten kiekendieven en buizerds ongeveer evenveel tijd op rotorhoogte door (figuur 2c, e). Rode wouwen, en in mindere mate slangenarenden, vlogen veel én vaak op rotorhoogte. Hierdoor was de tijd in de gevarenzone 3,6 tot 6,4 keer hoger dan voor kiekendieven en buizerds. Oftewel, rode wouwen (en slangenarenden) hebben in het algemeen een grotere kans om door een windturbine getroffen te worden dan kiekendieven en buizerds. Dit past bij het beeld dat rode wouwen bijzonder gevoelig voor aanvaringen met windmolens zijn. Zo is het in Duitsland een van de vogelsoorten die het vaakst als slachtoffer onder windmolens wordt gevonden.
Verschillen in ruimtegebruik tussen soorten
Wat ook uitmaakt voor het aanvaringsrisico is hoeveel de vogels in windmolenparken voorkomen. Om dit ruimtelijke aspect te onderzoeken, zijn de afstanden die deze soorten afleggen vanaf het nest bepaald. De meeste tijd werd natuurlijk in de buurt van het nest doorgebracht – hoe verder weg van het nest, hoe minder tijd de vogels er verbleven (figuur 3a, c). Vrouwtjes hadden bij alle soorten kleinere 'home ranges' dan mannetjes (figuur 3b, d), en er waren grote verschillen tussen de soorten: buizerds hadden de kleinste home ranges (90 procent van de tijd binnen 0,7 kilometer bij vrouwtjes en 1,0 kilometer bij mannetjes); slangenarenden (9,8 kilometer voor vrouwtjes) en grauwe kiekendieven (5,6 kilometer voor mannetjes) hadden de grootste homeranges (figuur 3b, d). De rangschikking van de 6 soorten met betrekking tot hun gevoeligheid voor aanvaringen met windturbines veranderde met toenemende afstand van het nest. Buizerdmannetjes waren bijvoorbeeld dicht bij het nest ongeveer even gevoelig voor aanvaringen als rode wouwmannetjes, ze brachten evenveel tijd op rotorhoogte door. Maar op grotere afstand waren rode wouwen vele malen gevoeliger, terug te zien in figuur 3c.

Kennis over vlieggedrag draagt bij aan bescherming van roofvogels
Met deze aanpak, gebaseerd op het vlieggedrag, kunnen verschillen in het aanvaringsrisico tussen vogelsoorten beter verklaard worden. Een uitbreiding naar andere soorten is gewenst. Uiteindelijk zou dan een ranglijst opgesteld kunnen worden van de gevoeligheid van de verschillende soorten voor de ontwikkeling van windturbineparken. Met deze informatie kunnen er betere beslissingen worden gemaakt bij de keuze voor en planning van windenenergieprojecten.
De resultaten geven ook inzicht in welke maatregelen helpen om roofvogels te beschermen, en hoeveel daarbij ingeboet zou moeten worden op de productie van windenergie. De afstand tussen windturbines en nestlocaties blijkt een cruciaal aspect voor het aanvaringsrisico van broedvogels. Op basis van de curves met betrekking tot de afstand van het nest kan ingeschat worden wat een relatief veilige afstand is om een windturbine te plaatsen. Een vervolgstap zou kunnen zijn om te onderzoeken wat het effect van het leefgebied is op het gebruik van een windmolenpark, en in hoeverre roofvogels daarmee te sturen zijn.
Een nieuwe online tool: Wind4Birds
Om de toepassing van onze resultaten te vereenvoudigen is er een online tool ontwikkeld: Wind4Birds. Windenergieontwikkelaars, overheidsinstanties en andere geïnteresseerden kunnen hiermee het ontwerp van een windpark met betrekking tot het aanvaringsrisico van roofvogels optimaliseren. Naast verschillende windturbinelocaties kunnen hier ook verschillende turbinegroottes vergeleken worden.
Meer informatie
- Lees het artikel over het effect van de turbinegrootte.
- Lees het proefschrift van Tonio Schaub.
- Raadpleeg de online tool 'Wind4Birds':
Tekst: Tonio Schaub en Raymond Klaassen, Grauwe Kiekendief – Kenniscentrum Akkervogels
Beeld: Tonio Schaub (leadfoto: bruine kiekendieven in een windpark bij Delfzijl); S. de Vries; M. Millet-Trebout; M. Bunzel-Drüke; A. Millon
