Penisplanten: al anderhalve eeuw publiekstrekkers
Hortus botanicus Leiden
Reuzenaronskelken komen in het wild voor in laaglandbossen van Azië en Afrika. Botanicus Karl Ludwig von Blume gaf ze in 1834 de wetenschappelijke naam Amorphophallus vanwege de vorm van de bloeiwijze, die doet denken aan een vormeloze (‘amorphos’) penis (‘phallos’). Inmiddels zijn er meer dan tweehonderd soorten beschreven, allemaal met een ondergrondse wortelknol. Bij de kleinste soorten, zoals A. ongsakulii uit Laos, weegt de knol slechts een paar gram. Bij de grootste soorten, zoals A. titanum uit Indonesië, kan het drooggewicht van de knol boven de 100 kilo uitkomen.
Uit een knol ontspruit een bladsteel met blad, dat na één groeiseizoen afsterft, en een bloeiwijze, die meer dan 2,5 meter hoog kan worden. Net als andere leden uit de aronskelkfamilie bestaat de bloeiwijze uit een schutblad (spatha) dat een bloeiaar (spadix) omhult. Onderaan de bloeiaar bevinden zich de vrouwelijke bloemen. Die zijn maar één dag vruchtbaar, en bloeien als eerste. De volgende dag komen de mannelijke bloemen in bloei, die stuifmeel produceren. Aasvliegen en -kevers, die op de geur afkomen, landen boven op de bloeiaar en lopen er vervolgens langs omlaag, waarbij ze onderweg stuifmeel ontvangen (bij een eerste bezoek) of afgeven (bij een herhaalbezoek).
In de rij voor een snufje luierlucht
Het bovenste deel van de bloeiaar bevat geen bloemen maar geurcellen (osmoforen), waar tijdens de bloei een doordringende walm uit opstijgt. Bij sommigen roept die geur associaties op met een volgepoepte luier, bij anderen met zweetsokken of een dode muis. In 1857 bloeide er voor het eerst een reuzenaronskelk in de Leidse Hortus botanicus. Dat was een exemplaar van Amorphophallus konjac, een uit China afkomstige soort.

In 1888 volgde de eerste bloei van A. titanum, de grootste reuzenaronskelk ter wereld, afkomstig van het Indonesische eiland Sumatra. Sinds 1991 maakt ook de nauwverwante A. decus-silvae van het Indonesische eiland Java deel uit van de collectie. De Leidse Hortus is een van de weinige botanische tuinen in Europa waar bovengenoemde soorten alle drie te zien zijn. Al meer dan 150 jaar staan bezoekers in de rij tijdens de korte bloei om een snufje mee te krijgen van de overweldigende plantaardige aroma’s.

Stinkers dankzij oververhitting
Hoe kan het dat bloeiende reuzenaronskelken zo ongelofelijk stinken? Daar gebruiken ze ‘thermogenese’ voor: een proces waarbij opgeslagen zetmeel in recordtempo wordt omgezet in warmte. Om acht uur ’s avonds begint de temperatuur bij bloei op te lopen in de door het schutblad omsloten bloeiaar. Tegen middernacht kan de 'verhoging' wel 38 graden Celsius bedragen! De geproduceerde geurstoffen verdampen in rap tempo en worden zo over grote afstand verspreid om bestuivers aan te trekken.
Omdat reuzenaronskelken in botanische tuinen nooit tegelijk bloeien, wordt tegenwoordig stuifmeel van de meeldraden verzameld en in de vriezer bij Naturalis Biodiversity Center bewaard. Gaat er elders een ander exemplaar bloeien, dan wordt het stuifmeel per post opgestuurd, en vervolgens – na het ‘operatief’ verwijderen van het schutblad – met een vingertop over vrouwelijke bloemen op de bloeiaar gepoederd. Als de bestuiving lukt vormen zich bessen. In het wild worden die door neushoornvogels gegeten, die de zaden elders weer uitpoepen.
Stamboek van reuzenaronskelken om inteelt te voorkomen
Door ontbossing staan populaties van reuzenaronskelken en neushoornvogels helaas onder druk. Van A. decus-silvae zijn nog maar weinig individuen in het wild over. Daarom wisselen botanische tuinen steeds meer zaden met elkaar uit. Gaat er ergens een reuzenaronskelk dood, dan kun je de soort opnieuw opkweken met zaad van een plant uit een andere collectie. Een kwart van alle exemplaren van A. titanum in botanische tuinen blijkt echter genetisch identiek. Eerder werd in de Leidse Hortus vooral onderzoek gedaan naar de evolutionaire verwantschappen (pdf: 756 kB) tussen soorten. Momenteel wordt meegewerkt aan het opzetten van een stamboek om te voorkomen dat reuzenaronskelken uitsterven door inteelt.
Tekst: Barbara Gravendeel & Roderick Bouman, Hortus botanicus Leiden
Beeld: Mathilde Simons (leadfoto: publiek bewondert reuzenaronskelk (Amorphophallus decus-silvae) in Leidse Hortus); Jan Meijvogel; Rogier van Vugt; Susan den Dulk; Rob Poot
