Nature Today

Langneus-steurgarnaal trekt bij Katwijk een lange neus

Stichting ANEMOON
31-JUL-2016 - De Langneus-steurgarnaal leeft in zout, brak en zoet water. Vroeger gold de soort als vrij algemeen, tegenwoordig zijn er weinig meldingen. Worden ze verdrongen door de oprukkende exotische Rugstreep-steurgarnaal? Bij een gerichte inventarisatie deze zomer op een decennia-oude vindplaats bij Katwijk waren deze fraaie inheemse dieren er nog en de Aziaten (nog) niet. Maar hoe lang nog?
Deel deze pagina

Steurgarnalen; sportvissers weten er wel raad mee: daar kun je prima zeebaars mee vangen. In Nederland komen op dit moment zes soorten echte steurgarnalen voor. Eén daarvan is de Langneus-steurgarnaal, zo genoemd naar het rostrum, het puntige, als een neus tussen de ogen naar voren stekende, deel van het rugschild. Deze steurgarnaal is typisch voor riviermondingen en heeft een voorkeur voor buitendijkse brakke wateren. De soort wordt echter ook af en toe in zee aangetroffen en kan bovendien ver landinwaarts trekken en dan leven op plaatsen waar het water zoet is.

Kop van de Langneus-steurgarnaal. De soort heeft een ver buiten de ogen uitstekend rostrum ('neus') met bovenaan 7 tot 9 dorsale tanden of stekels (de Rugstreep-steurgarnaal heeft 10 tot 12). De twee achterste stekels bevinden zich achter de oogkas. Levende exemplaren hebben een donker netvormig gestreept kleurpatroon op het rugschild en achterlijf, bestaande uit dieprode pigmentvlekken. De soort mist de voor de exotische Rugstreep-steurgarnaal kenmerkende lichte lengtestreep op de rug.

Vroeger

Vóór 1950 was de Langneus-steurgarnaal bekend van tientallen vindplaatsen, voornamelijk in Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland. De soort werd ook gevangen als aas voor vissers. In de Rotterdamse havens liet men bijvoorbeeld manden met visafval afzakken. Met wat geluk kon je dan de volgende ochtend een volle mand steurgarnalen boven water halen, aldus de oude vissersverhalen. Op veel andere locaties was de soort lang niet zo algemeen en de landelijke talrijkheid is mogelijk jarenlang wat te rooskleurig voorgesteld. Zeker is in elk geval wel dat het een oorspronkelijke Europese soort betreft en dat het dier al minstens vanaf 1878 tot onze inheemse fauna wordt gerekend.

Uitwatering van de Oude Rijn in Katwijk, landinwaarts uitkijkend op het Koning Willem-Alexander gemaal, waar de Langneus-steurgarnaal zeer lang geleden al werd aangetroffen en ook nu weer kon worden aangetoond.

Populatieveranderingen

Deze interessante kreeftachtigen worden tegenwoordig opvallend weinig gemeld. Aangenomen wordt dat ze op diverse locaties zijn verdwenen. Dit zou te wijten zijn aan de afsluiting van de Zuiderzee en de aanleg van de Deltawerken. Daardoor nam het Nederlandse areaal aan brakwaterbiotoop drastisch af en daarmee het leefgebied van de Langneus-steurgarnaal. Alleen uit het gebied in en rond het Noordzeekanaal en het IJ werden de laatste decennia nog meerdere keren vijftig of meer exemplaren gemeld. Ook was er de laatste jaren sprake van een toename in de Westerschelde, als gevolg van de verbeterde waterkwaliteit.

Gerichte inventarisatie

Het huidige verspreidingsbeeld van de Langneus-steurgarnaal is verre van compleet. In het kader van het Atlasproject Nederlandse Kreeftachtigen (ANK), dat dit jaar van start ging, wordt getracht zoveel mogelijk oude waarnemingen van kreeftachtigen boven water te krijgen. Dit onder andere om te kunnen vergelijken wat de impact is van de diverse exotische kreeftachtigen die momenteel onze wateren bevolken. Daartoe zullen gerichte inventarisaties worden uitgevoerd. Op 26 juli werd zo'n gerichte inventarisatie naar de Langneus-steurgarnaal uitgevoerd bij de uitwatering van de Oude Rijn bij Katwijk. De soort was op deze klassieke vindplaats al jarenlang niet meer met zekerheid aangetroffen. Na een intensieve zoekactie vielen de waarnemers met hun neus in de boter: ze vonden zowel een volwassen exemplaar als meerdere jonge dieren die hoogstwaarschijnlijk eveneens tot deze soort behoren (dieren kleiner dan één centimeter zijn lastig met zekerheid te determineren).

Rostrum van de Rugstreep-steurgarnaal (boven) en de Langneus-steurgarnaal (onder)

Concurrentie

Sinds 2004 is Nederland een steurgarnaal rijker: De Rugstreep-steurgarnaal (Palaemon macrodactylus). Deze Aziatische soort leeft oorspronkelijk in de Grote Oceaan (Japan, Korea) en vertoont net als de Langneus-steurgarnaal een voorkeur voor riviermondingen en buitendijkse brakwatermilieus. In 2010 kwam de soort vooral voor in de Westerschelde en het Veerse Meer. Inmiddels zijn aanzienlijke aantallen van deze exoot ook algemeen in en rondom het Noordzeekanaal en zijn ze zelfs tot in Amsterdam te vinden. Het is niet onwaarschijnlijk dat de oprukkende Rugstreep-steurgarnaal de inheemse Langneus-steurgarnaal voor voedsel beconcurreert of dit in de toekomst zal gaan doen. Ook volledige verdringing is niet uitgesloten: vrouwtjes van de nieuwkomer produceren tussen de 100 en 2800 eitjes per keer, hetgeen aanzienlijk meer is dan de inheemse brakwatersoorten, waaronder behalve de Langneus-steurgarnaal ook de Brakwater-steurgarnaal (Palaemon varians) behoort. Deze laatste leeft overigens in veel kleinere en ondiepere brakke wateren binnendijks en is nooit een concurrent van betekenis voor de Langneus-steurgarnaal geweest.
Of en hoe de Aziaten de inheemsen zullen verdringen, zullen we de komende jaren wel merken. Tot op heden is in elk geval bij de uitwatering van Katwijk nog geen spoor van de Rugstreep-steurgarnaal ontdekt. Voorlopig trekt de Langneus-steurgarnaal hier dus nog een lange neus naar zijn rivaal.

Met dank aan Marco Faasse, Gerard Heerebout en Godfried van Moorsel voor controle van de determinatie en informatie voor dit artikel.

Tekst: Adriaan Gmelig Meyling; Rykel de Bruyne, Beiden Stichting ANEMOON
Foto’s: Adriaan Gmelig Meyling, Stichting ANEMOON
Figuur: d'Udekem d'Acoz, C.; Faasse, M.; Dumoulin, E.; De Blauwe, H. (2005). Occurrence of the Asian shrimp Palaemon macrodactylus in the Southern Bight of the North Sea, with a key to the Palaemonidae of north-western Europe (Crustacea: Decapoda: Caridae) Ned. Faunist. Meded. 22: 95-111.

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen