Nature Today

Grauwe Kiekendieven vliegen per jaar gemiddeld 58.000 kilometer

Werkgroep Grauwe Kiekendief
14-JUN-2017 - Grauwe Kiekendieven vliegen in een jaar tussen de 35.653 en 88.049 kilometer. Onderzoekers uit drie Europese landen beschrijven in een wetenschappelijke publicatie in Biology Letters de verschillen in dagelijks afgelegde afstanden tussen vogels uit Denemarken, Nederland en Frankrijk. Zij vergeleken die voor de vier fasen in het jaar: broedtijd, overwintering en de voor- en najaarstrek.
Deel deze pagina

Grauwe Kiekendieven zijn langeafstandstrekkers die tijdens de trek duizenden kilometers afleggen. Van migraties wordt algemeen gedacht dat ze zeer moeilijk zijn voor de vogels, omdat ze veel kilometers per dag vliegen. Desondanks moeten de voordelen voor de vogels die in zomerhabitats broeden de kosten van migratie meer dan compenseren, anders zouden ze niet op trek gaan. Er was tot nu toe echter weinig bekend over hoeveel vogels vliegen tijdens het broedseizoen en de overwintering en hoe zich dat verhoudt tot de dagelijks afgelegde afstanden tijdens migraties.

GPS-tracking data van Grauwe Kiekendieven uit drie landen

De huidige technische mogelijkheden geven ons de kans om dit soort vragen beter te beantwoorden. Zo kunnen we individuele vogels tijdens hun hele jaarcyclus met behulp van GPS-trackers nauwkeurig volgen en zo data verzamelen tijdens de verschillende fases van het jaar. Dit hebben we sinds 2009 gedaan door UvA-BiTS GPS-trackers op Grauwe Kiekendieven aan te brengen, eerst in Nederland en toen dat uitstekend bleek te werken later ook in Denemarken en in Frankrijk. In acht jaar hebben we zo een schat aan data verzameld die ons nu toestaat grotere vragen te beantwoorden. Voor de analyses met betrekking tot dagelijkse vliegafstanden stonden ons hier 40 complete jaarcycli van 29 Grauwe Kiekendieven ter beschikking.

Gemiddelde dagelijkse afstanden gedurende de vier fasen in het jaar van mannetjes (blauw) en vrouwtjes (rood) Grauwe Kiekendieven in Frankrijk, Nederland en Denemarken

Mannetjes vliegen tijdens het broedseizoen bijna zo ver als op migratiedagen

De kiekendieven bleken gemiddeld rond de 58.000 kilometer per jaar af te leggen. Mannetjes vlogen gemiddeld 20% verder dan vrouwtjes, wat vooral te verklaren valt door de grotere afstanden die mannetjes tijdens het broedseizoen aflegden. Dit komt doordat de mannetjes hun vrouwtje plus de jongen van prooi voorzien, terwijl de vrouwtjes de eieren uitbroeden en de jongen beschermen. Interessant was vooral dat Franse mannetjes veel minder ver vlogen per dag dan Nederlandse en Deense mannetjes. Dit zou het resultaat kunnen zijn van verschillen in habitatkwaliteit en voedselbeschikbaarheid, maar dit aspect moeten we in toekomst nog nader onderzoeken.

Mannetjes van de Grauwe Kiekendief moeten in het broedseizoen zichzelf, hun vrouwtjes en hun jongen van voedsel voorzien. Hier brengt een mannetje een prooi naar zijn nest

Winter lijkt rustperiode voor Grauwe Kiekendieven

Ondanks dat vrouwtjes van de Grauwe Kiekendief groter zijn dan mannetjes en dus meer voedsel nodig zullen hebben om de tijd door te komen, bleek dat ze in de winter niet méér vlogen dan mannetjes. Dit zou erop kunnen wijzen dat er voldoende voedsel was in de wintergebieden, of dat beide seksen verschillende prooien vangen. In totaal vlogen de Grauwe Kiekendieven dagelijks veel minder kilometers in de winter dan tijdens migratie of in het broedseizoen. Tegelijk weten we al dat de mortaliteit in de winter op zijn laagst is. De winter lijkt dus het minst moeilijke seizoen voor de kiekendieven te zijn, waarin ze een beetje uit kunnen rusten van de inspannende broedperiode en migratie. Nochtans weten we al dat het in droge jaren met weinig sprinkhanen ook voor Grauwe Kiekendieven harder werken is in de winter en dat ze daardoor vertraagd vertrekken naar hun broedgebied.

Tekst: Almut Schlaich & Raymond Klaassen, Werkgroep Grauwe Kiekendief
Foto's: Ben Koks (leadfoto: loggervogel 'Edwin' jaagt op sprinkhanen in Senegal); André Eijkenaar
Grafiek: Werkgroep Grauwe Kiekendief

Een pdf van deze publicatie in Biology Letters is op te vragen bij Almut Schlaich.