Meer bloemen op de Overijsselse heiden nodig voor bijen en dagvlinders

Bosgroepen
7-JUL-2020 - Bijen en vlinders staan volop in de belangstelling. Helaas vooral vanwege hun zorgwekkende toestand. Uit analyse in Overijssel bleek dat met name heidesoorten het moeilijk hebben. Vervolgonderzoek op een aantal kenmerkende heideterreinen heeft nu handvatten gegeven om de negatieve trend te doorbreken. Er waren gelukkig ook een aantal positieve uitzonderingen, zoals Natura 2000-gebied Punthuizen.
Deel deze pagina

Meer dan de helft van de soorten op Rode Lijst

Bijen en vlinders staan bekend om hun uiterst belangrijke functie van bestuiver, van zowel wilde planten als landbouwgewassen. Momenteel staan ze echter vooral in de belangstelling vanwege hun zorgwekkende toestand. Meer dan de helft van de circa 360 inheemse bijen staat op de Rode Lijst vanwege achteruitgang of verdwijnen. Bij dagvlinders staat zelfs 62% van de soorten op de Rode Lijst. De achteruitgang is niet alleen zichtbaar bij bijen en dagvlinders; insecten in het algemeen laten een sterke achteruitgang zien als gevolg van het veranderende landschap. Inmiddels heeft dit in Nederland geresulteerd in een Deltaplan biodiversiteitsherstel.

Analyse bijen en dagvlinders in Overijssel

In de provincie Overijssel is in 2017 een analyse naar bijen en dagvlinders uitgevoerd, waaruit bleek dat vooral soorten van heideterreinen het erg moeilijk hebben. Daaruit volgde een vervolgonderzoek door de Bosgroepen, EIS Kenniscentrum Insecten en De Vlinderstichting, in opdracht van provincie Overijssel. Het doel van dit project was om voor een aantal kenmerkende heideterreinen in de provincie Overijssel te bepalen in hoeverre ze geschikt zijn voor een aantal bijzondere en zeldzame dagvlinders en bijen. Per gebied zijn handvatten gegeven om de negatieve trend van de bijzondere insecten een halt toe te roepen, en liefst om te buigen naar een positieve trend. Hierbij is nadrukkelijk aandacht gegeven aan de aanwezigheid van bloemen (zogenaamde waardplanten) en nestplekken voor bijen en vlinders.

Belangrijke nectarplanten zoals distels groeien vrijwel alleen als smal randje langs schelpenpaden op de heide

Heideterreinen bieden weinig geschikt leefgebied

Tijdens het veldonderzoek werd duidelijk dat het overgrote deel van de Overijsselse heidenterreinen op dit moment slechts zeer beperkt geschikt leefgebied vormt voor bijen en dagvlinders. Vooral het ontbreken van nectar, stuifmeel en waardplanten speelt daarbij een rol.
Dit is in hoofdlijnen terug te voeren op de volgende oorzaken:

  1. Verzuring en uitloging van de bodem als gevolg van stikstofdepositie.
  2. Ontbreken van landschappelijke samenhang en gradiënten.
  3. Dichtgroeien van de vegetatie met snelgroeiende grassen als pijpenstrootje.

Knelpunten binnen gebieden met veel droge heide

De grootste knelpunten lijken op dit moment te liggen in de heidegebieden met een relatief groot areaal droge heide. Hier is vaak nauwelijks nectar aanwezig doordat de bodem verzuurd is, waardoor bloeiende kruiden ontbreken. Soms kan bijvoorbeeld een rand van een schelpenpad soelaas bieden, maar vaak zijn de bloeiende planten (en dan vooral de voor bijen en vlinders belangrijke soorten) op één hand te tellen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat op de droge heide vrijwel geen bijen en vlinders gevonden zijn.

Noordelijke klaverzandbij   Kleine bonte wespbij

Punthuizen positieve uitzondering

Toch waren er ook een aantal positieve uitzonderingen, die duidelijk gevarieerder en bloemrijker waren, te melden. Zo sprong het Natura 2000-gebied Punthuizen er in positieve zin uit voor bijen. Hier werd de ernstig bedreigde ericabij aangetroffen. Daarnaast zijn er nog twee ernstig bedreigde bijensoorten gevonden, de noordelijke klaverzandbij, die vooral stuifmeel verzamelt op rolklaver, en de kleine bonte wespbij. Deze laatste is een vermoedelijke broedparasiet van de bedreigde tormentilzandbij, waarvan ook een populatie is aangetroffen. De tormentilzandbij was nooit eerder in Overijssel vastgesteld. De bijen in Punthuizen lijken het goed te doen vanwege het hoge nectaraanbod. Dat komt vooral doordat binnen dit relatief kleine gebied een grote variatie aanwezig is van verschillende biotopen. De positieve effecten op bijen en dagvlinders van een grote variatie aan biotopen zien we ook terug in bijvoorbeeld Hartjesbosch en Luttenburgerven.

De aanwezigheid van blauwgrasland in combinatie met heide maakt Punthuizen een topgebied voor bijen

Herstel op landschapsschaal als kansrijke maatregel

Hoewel de oplossingen voor het ontbreken van geschikt leefgebied voor bijen en dagvlinders in de meeste gevallen maatwerk vereisen, zijn er toch een aantal maatregelen die voor een groot deel van de terreinen kansen bieden. De meeste kans op succes is het herstel van de gebieden op landschapsschaal. Hierbij kan gedacht worden aan het herstel van de hydrologie in natte terreinen en herstel van overgangen naar andere landschappen, zoals beekdalen. Daarnaast zal de stikstofdepositie aanzienlijk naar beneden moeten. In een groot aantal gevallen zal dit niet op korte termijn haalbaar zijn, en zullen noodmaatregelen genomen moeten worden om populaties te behouden.

Herstel bodem

Een belangrijke maatregel in droge terreinen is het herstel van de mineralenhuishouding van de bodem, bijvoorbeeld met behulp van steenmeel. Hoewel het onderzoek naar de effecten van steenmeel nog loopt, kan het in de meest monotone en vergraste heiden op kleine schaal wel al worden toegepast. Andere belangrijke kleinschalige maatregelen die bijdragen aan het herstel van de biodiversiteit in het heidelandschap zijn:

  1. Verbeteren van nestgelegenheid voor bijen door lokaal open zand of steilrandjes te maken.
  2. Realiseren van dood hout voor bijen die in hout nestelen.
  3. Aanleg van kleine heideakkertjes en bloemrijke graslanden op de hei, of bredere bloemrijke randen langs bestaande wegen en paden.

Provincie Overijssel en de terreinbeheerders gaan met de verschillende handvatten aan de slag om de heideterreinen binnen de provincie bij- en vlindervriendelijker te maken.

Tekst: Jaap Bouwman en René Verhagen, Bosgroepen; Roy van Grunsven, De Vlinderstichting; John Smit, EIS Kenniscentrum en Marcel Horsthuis, Staatsbosbeheer
Foto's: John Smit (leadfoto: ericabij); Jan Smit; Roy van Grunsven 

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de provincie Overijssel, in overleg met Staatsbosbeheer, Landschap Overijssel, Natuurmonumenten en de Bosgroepen.
De opdracht is uitgevoerd door een consortium van Bosgroepen, EIS Kenniscentrum Insecten en De Vlinderstichting.

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen