Wilde planten op de Groninger klei
Provincie GroningenAmateurfloristen Heddy de Keijzer en Ben Westerink hebben in de periode van 1985 tot 1995 de bermen en sloten van West-Groningen geïnventariseerd. De karteringen waren gebaseerd op kilometerhokken en individuele sloten. In de periode van 2020 tot 2024 heeft Ben Westerink een deel van deze kartering herhaald. Hij beperkte zich daarbij tot het kleigebied. Een unieke gelegenheid om te zien hoe de wilde flora er nu – zo'n dertig tot veertig jaar later – voor staat.
Langs de sloten
In en langs de sloten is er een duidelijke afname van soorten die afhankelijk zijn van volle sloten en plas-dras oevers. Pijptorkruid, moeraswalstro en slanke waterkers zijn vrijwel niet meer te vinden. Dit verlies beperkte zich niet tot de intensief gebruikte landbouwpercelen, maar werd ook gezien in het natuurreservaat van de stichting Het Groninger Landschap, nabij Adorp. De zwanenbloem lijkt zich goed te handhaven. Een sterke toename is te zien bij robuuste soorten als gewone waterbies, grote waterweegbree, grote egelskop en watermunt.

In de bermen
Ook in de bermen is er na ruim dertig jaar duidelijk verlies van biodiversiteit. Tijdens de eerste kartering werden op de wat lichtere kleibodems, die ooit deel uitmaakten van de jonge kwelderwallen, diverse bijzondere soorten gevonden. Veel van deze soorten zijn vrijwel verdwenen, zoals weidehavikskruid, gevleugeld hertshooi, sint-janskruid, kale vrouwenmantel en stijve ogentroost,of achteruit gegaan, zoals heelblaadjes, zeegroene zegge en paarse morgenster.
De afname van soorten doet zich vooral voor in de gemeentelijke bermen. Meer dan 80 procent van deze bermen is sterk verruigd. Daar domineren stikstofminnende soorten als fluitenkruid, ridderzuring, brandnetel en grassen als glanshaver en kropaar. In bermen die er beter voor staan vinden we scherpe boterbloem, veldlathyrus, biggenkruid, pastinaak en gewone berenklauw. De zwaarte van de klei speelt een rol bij de verspreiding. Een aantal soorten heeft een voorkeur voor de lichtere kleigronden van de Marne en Halfambt. Minder variatie vertonen de bermen op de zwaardere klei van Humsterland en Middag.

Provinciale bermen bloemrijker
De provinciale bermen vertellen gelukkig een ander verhaal. Meer dan 70 procent van deze bermen kan als bloemrijk worden geclassificeerd. Een opvallende soort is pastinaak, die dikwijls als lang geelbloeiend lint te zien is. In combinatie met rode en witte klaver, wikkes, biggenkruid, klein streepzaad en wilde peen zijn deze bermen – ook landelijk gezien – opvallend rijk. Een fraaie soort die zich hier goed weet te handhaven is de ratelaar.

Conclusies
Langs de slootranden en in de bermen zijn er de afgelopen dertig tot veertig jaar veel plantensoorten verdwenen of sterk achteruitgegaan. Een mogelijke verklaring voor dit verlies vormen de verminderde waterkwaliteit en droogvallende sloten, zoals te zien is in Humsterland en Middag, de inlaat van gebiedsvreemd water en het maaien van slootranden (reservaat nabij Adorp). Wat de gemeentelijke bermen betreft, kan het soortenverlies samenhangen met het klepelen van de vegetatie en het niet afvoeren van het maaisel.
Vooral in de gemeentelijke bermen is veel ruimte voor verbetering. Dat het beter kan, bewijst de (gemeentelijke) berm langs het Boterdiep ten zuidwesten van Uithuizen. Deze berm, onderhouden door het echtpaar Boerma, werd in 2024 verkozen tot de mooiste berm van ons land.

Tekst en beeld: Ben Westerink
