Oeverafslag in het Lauwersmeer, een probleem voor de natuur?

Provincie Groningen
11-FEB-2026 - De afgelopen decennia heeft het Lauwersmeer te maken met oeverafslag. Dit fenomeen kan leiden tot een afname van het areaal aan broed- en foerageerhabitats van vogels. Daarmee raakt het indirect ook aan de staat van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. Een team trainees van de provincie Groningen onderzocht de omvang en impact van oeverafslag.

Na de watersnoodramp van 1953 besloot men het estuarium de Lauwerszee af te sluiten van de Waddenzee. Dit gebeurde met de aanleg van de Lauwersmeerdijk, die in 1969 gereedkwam. Daarmee ontstond het Lauwersmeer, waarbij belangrijke natuurlijke processen, zoals getijdenwerking en zoute invloed, verdwenen. Dit leidde tot veranderingen in het landschap en de natuurwaarden. Er ontwikkelde zich een gevarieerd landschap, waarin graslanden afwisselden met dichtbegroeide wilgenbossen, en open water op veel plekken plaatsmaakte voor rietvelden. 

Binnen enkele maanden veranderde de gradiënt van zoet naar zout water in een volledig zoet systeem, waardoor alleen zoetwatersoorten in het gebied overbleven. Dit proces leidde aanvankelijk tot een sterke afname van de biodiversiteit. Toch ontwikkelde het gebied zich in de jaren daarna tot een afwisselend landschap van open water, moerassen, graslanden en bossen. Tegenwoordig vormt het Lauwersmeer een belangrijk leefgebied voor diverse soorten, waaronder veel vogels. Veel van deze vogels zijn afhankelijk van specifieke oeverhabitats, zoals rietoevers, overstromingsgraslanden en kwelderoevers. 

Natura 2000

In 2003 werd het Lauwersmeer aangewezen als Natura 2000-gebied vanwege het internationale belang voor diverse vogelrichtlijnsoorten. Voor deze soorten geldt de instandhoudingsdoelstelling ‘behoud’ van zowel de omvang als de kwaliteit van hun leefgebied. Een uitzondering vormt de kemphaan, waarvoor uitbreiding en kwaliteitsverbetering van het leefgebied het doel is. De provincie is eindverantwoordelijk voor het beheer en het behalen van de Natura 2000-doelen in het Lauwersmeer, Staatsbosbeheer is verantwoordelijk voor de uitvoering van het beheer.

Onderzoek oeverafslag

De afgelopen decennia heeft het Lauwersmeer te maken met oeverafslag. Dit kan leiden tot een afname van het areaal aan broed- en foerageerhabitats van aanwezige vogels. Daarmee raakt oeverafslag indirect ook aan de staat van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. Vanwege deze samenhang gaf de provincie Groningen een team trainees van het 'Nationaal Water en Bodem Traineeship' de opdracht om de omvang en de gevolgen van de oeverafslag in kaart te brengen. Het onderzoek nam in totaal elf dagen in beslag, verspreid over zes maanden.

Na enkele inhoudelijke gesprekken met de opdrachtgever stelde het team trainees een concreet projectplan op, waarna het onderzoek kon beginnen. Via een ArcGIS-analyse werden satellietbeelden van de Lauwersmeeroevers uit 2006 en 2024 zorgvuldig bestudeerd en vergeleken met de vegetatiestructuurkaart van 2015. Daarnaast voerden de trainees meerdere veldbezoeken uit en spraken zij met betrokken collega’s. De resultaten zijn gebundeld in een adviesrapport voor de provincie Groningen. Het rapport draagt bij  aan het vergroten van de kennis over de Lauwersmeeroever en kan worden gebruikt bij het opstellen van het nieuwe Natura 2000-beheerplan Lauwersmeer.

Oorzaak oeverafslag

Oeverafslag wordt veroorzaakt door zowel natuurlijke als menselijke factoren. Belangrijke natuurlijke factoren in het Lauwersmeer zijn de overheersende westenwind, met de bijbehorende golfslag, en het aftrappen van oevers door vee. Indirect draagt ook rietbegrazing door grauwe gans (Anser anser) bij aan oeverafslag. Tijdens de ruiperiode in mei en juni grazen de ganzen intensief in de rietzones, waardoor de rietgordel zich minder kan uitbreiden en minder bescherming biedt tegen golfwerking.

Daarnaast hebben menselijke activiteiten, zoals peilbeheer en waterrecreatie, invloed op de mate van oeverafslag. Het huidige constante waterpeil zorgt ervoor dat plantenresten zich ophopen tussen de rietkragen, wat de vitaliteit van het riet vermindert. Een variabel waterpeil, met hogere standen in het voorjaar en lagere in de zomer, zou de groei juist stimuleren doordat oevers tijdelijk droogvallen. Door het ontbreken van deze dynamiek, blijft het waterriet beperkt in zijn ontwikkeling. Bovendien worden plantenresten bij een constant peil niet weggespoeld, waardoor een natuurlijke beschermlaag ontbreekt en de oever kwetsbaarder wordt. Ook golfslag door pleziervaart en snelvaarders speelt een rol. De herhaalde belasting op dezelfde plekken kan leiden tot lokale verzwakking van de oever, vooral bij kwelders en overstromingsgraslanden die geen beschermende rietkraag hebben.

Rietzones verliezen hun samenhang door oeverafslag

Omvang oeverafslag

Om vast te stellen hoeveel oeverafslag er de laatste decennia heeft plaatsgevonden en waar dit precies is gebeurd, analyseerde het trainee‑team satellietbeelden uit 2006 en 2024. Deze jaren zijn gekozen vanwege de beschikbaarheid van betrouwbare data. Uit de analyse blijkt dat in deze periode ongeveer 270.000 vierkante meter aan oeverzone is verdwenen, wat neerkomt op circa 38 voetbalvelden. Daarnaast nam de totale lengte van de oeverlijn met 2,3 kilometer toe. Tot slot verschilt de afstand waarmee de oever landinwaarts is teruggetrokken sterk per locatie. Hierbij springen er vijf gebieden uit als duidelijke hotspots (zie figuur 1).

Figuur 1: Lauwersmeer met vijf hotspots oeverafslag

Hotspots verloren oeverhabitat

Er is op deze hotspots  een aanzienlijk areaal aan oeverhabitat verloren gegaan. Het verschil tussen 2006 en 2024, in hoe ver het verste punt het Lauwersmeer instak, is op deze locaties ook het grootst. Per hotspot het verschil:

  • Pampusplaat (111 meter);
  • Ballastplaat (48,5 meter);
  • Bantswal (37 meter);
  • De Rug (27,5 meter);
  • De Zuidelijke Lob (13,5 meter).

Voor de Pampusplaat betekent dit dat de oever op het verste punt in 18 jaar tijd 111 meter is teruggetrokken – wat neerkomt op gemiddeld zes meter per jaar (zie figuur 2). Wanneer het gehele gebied wordt vergeleken met de structuurvisiekaart, laat dit zien dat voornamelijk kwelders en overstromingsgraslanden een terugtrekkende beweging maken. De terugtrekkende beweging van rietlanden is minder groot, terwijl er op satellietbeelden te zien is dat er op enkele plekken wel sprake is van een duidelijke verdunning van het rietareaal.

Figuur 2: De oever van de Pampusplaat is op het verste punt in 18 jaar tijd 111 meter teruggetrokken

Impact oeverafslag

De geanalyseerde dynamiek van de oevers heeft gevolgen voor de aanwezige vogelsoorten. De rietoevers van het Lauwersmeer vormen een belangrijk habitat voor verschillende soorten vogels, waaronder de roerdomp, bruine kiekendief, rietzanger, fuut en grauwe gans. Kwelderoevers en overstromingsgraslanden zijn daarentegen essentieel als leefgebied voor soorten als de kluut, noordse stern en kemphaan, evenals voor de wulp en zwarte ruiter. Deze vogelsoorten zijn sterk afhankelijk van oeverhabitats om te foerageren, te nestelen en te rusten. Wanneer het areaal aan oevers afneemt door oeverafslag, heeft dit directe negatieve gevolgen voor hun voortbestaan en daarmee voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

Tegelijkertijd kan de impact van oeverafslag ook vanuit een breder ecologisch perspectief worden bekeken. Hoewel het verlies van terrestrische habitats onmiskenbaar is, ontstaat door afslag juist meer ruimte voor aquatische zones. Dit biedt kansen voor soorten die afhankelijk zijn van ondiep water, zoals lepelaars en steltlopers. Daarnaast kunnen deze veranderingen leiden tot het ontstaan van nieuwe leefgebieden voor plantensoorten, vissen en andere waterdieren.

Tot slot leidt oeverafslag tot landschappelijke veranderingen, waaronder eilandvorming en verschuivingen in vegetatiegradiënten, wat de ecologische dynamiek in het gebied beïnvloedt.

Een zwarte ruiter

Is oeverafslag een probleem?

Kortom, of oeverafslag als een probleem wordt gezien, hangt af van het gekozen perspectief. Vanuit het Natura 2000‑kader vormt het verlies aan habitat voor beschermde vogelsoorten een duidelijk knelpunt. Tegelijkertijd kan gecontroleerde oeverafslag in bepaalde zones ecologisch waardevol zijn en juist nieuwe kansen en dynamiek creëren binnen het bredere ecosysteem.

Het is van belang de ontwikkelingen nauwgezet te monitoren en de effecten van oeverafslag zorgvuldig af te wegen tegen de natuurdoelen van het Lauwersmeergebied. Door middel van pilotstudies en gerichte monitoring kan meer inzicht worden verkregen in zowel de positieve effecten van oeverafslag als de effectiviteit van oeverbeschermende maatregelen.

Tekst: Michiel Bader, Provincie Groningen; Laura van Duijn, Daan de Graaf en Edward Smits, trainees Provincie Groningen
Beeld: Michiel Bader; Rik Kruit, Saxifraga