Insecten

Naar een hogere ecologische kwaliteit in de stad: de criteria voor ecologisch waardevol en biodivers groen

Deltaplan Biodiversiteitsherstel
27-MRT-2026 - We vergroenen massaal. Daken worden bedekt met vegetatie, terreinen ingezaaid en bermen ingeplant. Maar niet elk stukje groen draagt automatisch bij aan biodiversiteit. De vraag is daarom niet alleen hoeveel groen we toevoegen, maar vooral welk groen en hoe het wordt ingericht.

Een nieuw adviesrapport, opgesteld in opdracht van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en gebaseerd op onderzoek van onze stagiair Gijs Rooijmans, biedt nu concrete handvatten om vergroening daadwerkelijk ecologisch relevant te maken.

Van groen naar biodiversiteit in steden

Biodiversiteit draait om meer dan het aantal soorten. Het gaat om de juiste mix van soorten, functies en structuren die samen een leefbare omgeving vormen voor insecten, vogels en andere dieren. Dat betekent bewuste keuzes maken: welke planten passen bij de bodem en omgeving? Welke soorten bieden voedsel, nestgelegenheid en schuilplaatsen? En hoe zorg je dat die functies het hele jaar door aanwezig zijn?

Juist in stedelijke gebieden ligt hier een grote kans. Hoewel verstedelijking vaak leidt tot versnippering en verlies van habitat, kan bebouwd gebied ook een belangrijke rol spelen in biodiversiteitsherstel. Met de juiste inrichting kan het fungeren als leefgebied voor een grote diversiteit aan flora en fauna.

Basiskwaliteit Natuur als fundament

Om die potentie te benutten, wordt in Nederland gewerkt aan de Basiskwaliteit Natuur: een set van 24 condities die samen zorgen voor een gezonde ecologische basis in het door mensen ingerichte landschap. Een van deze condities, ‘Ecologische Relevantie en Diversiteit’, vormt een belangrijke randvoorwaarde voor de kwaliteit van stedelijk groen. Tot nu toe ontbrak een concrete invulling van deze conditie, waardoor ecologische relevantie moeilijk meetbaar en toepasbaar was in de praktijk.

Het nieuwe adviesrapport brengt daar verandering in. Op basis van literatuurstudie en interviews met experts uit verschillende organisaties zijn meerdere aspecten geïdentificeerd die richting geven aan ecologisch waardevolle vergroening.

Randvoorwaarden voor ecologische relevantie en diversiteit

Een van de belangrijkste bevindingen uit het rapport is dat een basis van inheemse plantensoorten essentieel is. Inheemse soorten gaan de meeste interacties aan met fauna; veel insecten en andere dieren zijn door de lange co-evolutie sterk afhankelijk van specifieke plantensoorten. Tegelijkertijd kunnen uitheemse soorten een aanvullende rol vervullen, bijvoorbeeld in stedelijke gebieden die warmer en droger zijn. Ze dragen bij aan klimaatadaptiviteit, veerkracht van vegetaties en ecologische waarde voor algemene soorten en bestuivers.

Daarnaast zijn gebiedseigen soorten en het gebruik van autochtoon plantmateriaal belangrijk. Deze sluiten beter aan bij lokale omstandigheden en bij de omliggende biodiversiteit, en verhogen bovendien de genetische diversiteit van de vegetatie.

Maar soortkeuze alleen is niet voldoende. Variatie in structuren en functies is cruciaal om vegetaties functioneel te maken voor verschillende soorten fauna. Door een complementaire opbouw van vegetaties, bijvoorbeeld een combinatie van kruiden, struiken en bomen, variatie in bloeitijden en verschillende vormen van voedsel-, schuil- en nestgelegenheid, ontstaat een systeem dat zowel ruimtelijk als door het jaar heen ecologisch functioneel blijft.

Van theorie naar praktijk

Het adviesrapport biedt niet alleen een theoretisch kader, maar vooral praktische richting voor ontwerpers, beheerders en beleidsmakers. Het maakt ecologische relevantie en diversiteit concreter en helpt keuzes te onderbouwen bij inrichting en beheer van stedelijk groen. Vergroening zonder ecologische doordachtheid levert immers vaak minder op dan verwacht. Door bewuste keuzes te maken, kan elke vierkante meter groen bijdragen aan een robuuster en veerkrachtiger ecosysteem.

Meer informatie

Tekst: Deltaplan Biodiversiteitsherstel
Beeld: Istock