Natuurjournaal 28 januari 2026
Nature TodayIn de winter zijn bomen en struiken een stuk moeilijker te herkennen dan wanneer ze bladeren hebben. Toch zijn er nog genoeg aanwijzingen om de soort op naam te kunnen brengen. Om te beginnen kun je altijd naar de grond kijken. Daar liggen vaak oude bladeren en (resten van) vruchten. In het geval van de zomereik zul je de gelobde bladeren en eikels kunnen zien liggen. Nu het voorjaar aanstaande is, hebben veel bomen en struiken alweer twijgen (takjes) vol met knoppen. Zo ook de zomereik. Twijgen van de zomereik hebben aan het einde van de tak een kenmerkende bundel met eindknoppen. Deze knoppen zijn van boven toegespitst of afgerond. De zijknoppen die verspreid over de twijg staan, zijn spits eivormig en zijn afstaand van de twijg ingeplant. De buitenste laag van de knoppen bestaat uit knopschubben. Deze zijn geel- tot lichtbruin, afgerond en hebben vaak een dunne, donkerbruine randlijn. De rand van de schub is kort witbehaard. De jonge twijgen zelf zijn kaal en vaak kantig. Ze zijn eerst olijfgroen, maar later worden ze grijsbruin.

Beukennootjes op de grond wijzen, vanzelfsprekend, op een beuk, maar de knoppen zijn ook goed te herkennen. De knoppen zijn lang met een spitse top. De eindknoppen zien er zo goed als hetzelfde uit als de zijknoppen. Net als bij de zomereik staan de zijknoppen afstaand op de twijg ingeplant. De knopschubben zijn gelig bruin tot donkerbruin met lichte of donkere randen. In tegenstelling tot de afgeronde schubben van de zomereik, zijn de schubben van de beuk toegespitst. Ze zijn in het bovenste deel fijnbehaard en bedekken elkaar spiraalsgewijs. De twijgen zijn bij elke zijknop ietwat geknikt, wat een zigzagvormig aanzien geeft. Jonge twijgen zijn (licht)behaard en aan de lichtzijde roodbruin en aan de schaduwzijde olijfbruin. Oudere twijgen zijn grijsbruin tot grijs. Ook in de winter zijn de kale bomen dus nog goed te herkennen.
Tekst en beeld: Marco Wind, Nature Today
