Gestrand: geheimzinnige Grote pijlinktvissen
Stichting ANEMOON"De Grote kraakvis mag me kraken..." Die uitroep van Kapitein Haddock uit de Kuifje-strip gaat niet over een gruwelijke vis, maar over een kolossale inktvissoort, de geheimzinnige mythische 'Kraak' die – volgens zeelieden vroeger – mensen, walvissen en zelfs schepen aanviel. Ook in films duiken deze zeemonsters regelmatig op. "Bestaan niet écht hoor", zeggen ouders dan tegen hun kinderen. Maar ze hebben ongelijk: er bestaan wél grote inktvissen. Sterker nog: ook op onze stranden kunnen ze aanspoelen. En dat gebeurde de afgelopen weken ook.
Grootste pijlinktvis
Als je als nietsvermoedende wandelaar op het strand opeens oog in oog staat met een fikse inktvis, sta je wel even verbaasd te kijken. Zulke momenten kwamen dit jaar in februari en maart diverse keren voor. Toegegeven, hoewel de naam anders doet vermoeden, is de Grote pijlinktvis (Todarodes sagittatus) minder enorm dan die op oude afbeeldingen van monsterlijke inktvissen. Toch wordt deze soort langer dan een meter, tot ruim 120 centimeter zelfs! Flinke jongens dus, of meisjes: aangespoelde dieren zijn meestal van het vrouwelijk geslacht. De Grote pijlinktvis is onze grootste inktvissoort, al gaat het hier om een dwaalgast die voornamelijk in de winter door de Noordzee migreert en soms onverwacht aanspoelt. Voor zover bekend vallen ze geen mensen aan.

Toegenomen
Dit jaar spoelden in februari en vooral maart opvallend vaak Grote pijlinktvissen aan. Alleen op de Waddeneilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog waren dat er al meer dan tien. Ook langs de verdere kust, onder andere bij Bergen aan Zee, Castricum, Ter Heijde, het Zuiderstand bij Den Haag, Hoek van Holland en op de Zandmotor, was het raak. Dat was langere tijd anders. In de periode van 1985 tot 2005 spoelden van de Grote pijlinktvis zelfs nauwelijks exemplaren aan. De laatste decennia zien we een geleidelijke toename, met 2026 als onbetwist recordjaar. Zo'n patroon van soorten die in zee toenemen zien we de laatste tijd vaker optreden.
Aanspoelingen
Een globaal overzicht uit de literatuur (500 jaar aan gegevens) laat het volgende zien:
- 1500–1800: incidentele, historische meldingen.
- 1800–1950: regelmatig, maar nooit veel.
- 1950–1985: weinig, maar wel regelmatig enkele strandingen.
- 1985–2005: vrijwel geen meldingen.
- 2006–2025: geleidelijke toename, bijna elk jaar strandvondsten.
- 2026: recordaantal meldingen (meer dan twintig).
Springende kraken met pijlen
De Grote pijlinkvis is goed te herkennen. De zijwaarts geplaatste vinnen aan het kopgedeelte vormen een opvallende 'pijlpunt' met bijna rechte zijden, in de vorm van een halve ruit. Het lichaam is cilindrisch, slank en lang, de lengte-breedteverhouding is circa 5:1. Bij de kleinere Gewone pijlinktvis is het lichaam breder, korter en meer gedrongen, en zijn de vinnen langer en meer afgerond. Er zijn in totaal 10 met zuignappen bezette armen/tentakels: acht even lange, plus twee langere. De ogen zijn groot en goed ontwikkeld. Dankzij chromatoforen in de huid kan de oranjeroze tot roodbruine kleur snel wisselen. Voor de voortbeweging gebruiken de dieren behalve hun vinnen jetpropulsie: ze persen met kracht water uit een soort trechter in hun lichaam. Zo kunnen ze zelfs korte sprongen uit het water maken. Daaraan danken ze de Engelse naam 'Atlantic flying squid'. Grote pijlinkvissen leven in de koudere wateren van de epipelagische tot mesopelagische zones van de Noordoost-Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. In de warmere maanden mijden ze onze Noordzee. Ze jagen actief op vis en kleine inktvissen, maar ze eten ook schaaldieren. Die worden gekraakt met een stevige, in de mond gelegen snavel.

Inkt als camouflage, verdediging en kleur
Inktvissen danken hun naam aan hun geavanceerde verdedigingsstrategie om inkt te spuiten uit hun speciale inktzak. Voelt de inktvis zich bedreigd, dan spuit hij een grote wolk inkt in het water. Deze wolk verbergt het dier tijdelijk voor aanvallers en geeft het de kans om snel weg te zwemmen. Sepia-inkt werd in vroegere tijden gebruikt om mee te schrijven. De oude Grieken deden dat al in de jaren voor Christus. De inkt verkleurt echter in het zonlicht en wordt tegenwoordig zelden meer gebruikt. Wel wordt inktvis-inkt gebruikt in de culinaire wereld en wordt de bruingrijze tint 'Sepia' gebruikt om foto's een meer authentiek uiterlijk te geven.

Ontelbare schelpen en dreadlock-eieren
Op zaterdag 21 maart 2026, worden op onze stranden weer schelpen geteld tijdens de Nationale Schelpenteldag. De kans dat je dan een Grote pijlinktvis ziet is niet groot, maar ook niet uitgesloten. Zo'n vondst meetellen kán, want inktvissen zijn ook schelpdieren, net als slakken (met en zonder schelp) en tweekleppigen, zoals mossels en oesters. Veel inktvissoorten hebben inwendig aan de rugzijde een schelp, zoals de uit brosse, witte kalk bestaande rugschilden van zeekatten. Ook pijlinktvissen hebben in hun lichaam een soort schelp, gladius genoemd. Die is van dun, chitine-achtig materiaal en bevat geen kalk. De gladius van de Gewone pijlinktvis heeft de vorm van een vogelveer en spoelt regelmatig aan, evenals de glibberige, op dreadlock-kwallen lijkende eierstrengen. Eieren van de Grote Pijlinktvis spoelen nooit aan, de gladius eveneens vrijwel nooit (de hierboven afgebeelde is geprepareerd uit een dier). Die schelp meetellen zit er dus niet echt in.
De allergrootsten
Todarodes sagittatus is overigens niet de grootste nog op aarde levende inktvis. Dat zijn de Reuzenpijlinktvis (Architeuthis dux), die tot maar liefst 13 meter wordt (en in 1982 ook in de Engelse Noordzee is opgevist), en de Kolossale pijlinktvis (Mesonychoteuthis hamiltoni), die iets minder lang wordt, maar wel breder en zwaarder: tot bijna 500 kilo. Beide zijn vermoedelijk verantwoordelijk voor de oude gruwelverhalen over de 'Grote Kraak'.
Tekst: Rykel de Bruyne en Adriaan Gmelig Meyling, Stichting ANEMOON
Foto's: Joeri Lamers (leadfoto: op 3 maart 2026 op Terschelling aangespoeld exemplaar van de Grote pijlinktvis); Bernd de Boer; Harmen Wijnberg; Dennis Leeuw; Thijs de Boer
Platen: Henri Theophile Hildibrand (Jules Verne's 'Twintigduizend mijlen onder zee'); Gustave Doré (Victor Hugo's 'Les Travailleurs de la Mer'); Pierre Dénys de Montfort ('Histoire Naturelle des Mollusques')
