Kan de gamma-uil watercrassula terugdringen?
Stichting BargerveenNadat eerder in kasproeven was vastgesteld dat rupsen van de gamma-uil flink schade kunnen aanrichten aan watercrassula, is het experiment in de zomer van 2025 naar de Dintelse Gorzen verplaatst. In dit buitendijks natuurgebied langs het Volkerak heeft watercrassula zich op grote schaal gevestigd. Op de studielocatie zijn tientallen door runderen veroorzaakte stierenkuilen aanwezig in een vochtige laagte, die grotendeels zijn overwoekerd met deze invasieve exoot. In een experiment zijn in 37 kleine afgeschermde delen (enclosures) afwisselend 20, 40 of geen rupsen op watercrassula geplaatst. Hierna is enkele weken de vraatschade gemeten.

Vraatschade en groeikracht
Ook onder deze natuurlijke omstandigheden blijken de rupsen van de gamma-uil actief van watercrassula te eten. In vrijwel alle enclosures met rupsen werd vraatschade waargenomen. Echter, alleen waar 40 rupsen werden uitgezet op plekken waar, naast watercrassula, ook het inheemse melkkruid voorkwam, nam de vraatschade sterk toe. In een aantal enclosures werd een duidelijke afname van de dikte van de watercrassulamat gemeten, tot wel 1,5 centimeter in 3 weken. Ter vergelijking: in de controles zonder rupsen nam de dikte van de watercrassulamat in deze periode juist met 3 centimeter toe!
Hoewel de rupsen aantoonbaar schade veroorzaakten, bleek tegelijkertijd nogmaals hoe groeikrachtig watercrassula is. Tijdens de studie ontwikkelde de plant zich onder gunstige weersomstandigheden zeer snel. Alleen in enkele enclosures met de hoogste rupsendichtheid werd de vegetatie lokaal duidelijk teruggedrongen. Waar bij aanvang de enclosures al volledig overwoekerd waren, kon de rupsenvraat deze groei niet bijhouden. Twee weken na het verpoppen van de rupsen was de watercrassula vrijwel geheel hersteld van de vraatschade.

Aanknopingspunten voor beheer
De resultaten sluiten aan bij de ecosysteemaanpak van invasieve exoten. Deze benadering gaat ervan uit dat invasieve soorten niet alleen moeten worden bestreden, maar dat het functioneren en de veerkracht van het ecosysteem bepalend zijn voor het succes van beheer. De grotere vraatschade in de gemengde vegetaties suggereert dat watercrassula kwetsbaarder wordt wanneer zij onderdeel uitmaakt van een gevarieerder ecosysteem dan wanneer het al een vrijwel gesloten monocultuur heeft gevormd. In zulke dichte watercrassulamatten groeit de plant zó snel, dat de rupsen het niet kunnen onderdrukken. In een gevarieerde vegetatie lijkt dezelfde hoeveelheid vraat juist een groter effect te hebben op de aanwezige watercrassula.
Maatregelen combineren kansrijk
De veldstudie laat daarmee zien dat de inzet van rupsen van de gamma-uil geen zelfstandige bestrijdingsmethode zal worden voor grote watercrassulabesmettingen. Wel lijkt een combinatie van maatregelen kansrijker. Door eerst de dominantie van watercrassula te doorbreken, kan natuurlijke vraat mogelijk bijdragen aan het verder herstel van de overige vegetatie.
Daarnaast moet worden bedacht dat de gamma-uil slechts enkele weken als rups aanwezig is. Wanneer de rupsen gaan verpoppen, is deze natuurlijke begrazingsdruk verdwenen. Vanuit een ecosysteembenadering is het effectiever om niet te focussen op een enkele herbivoor, maar op een gemeenschap van verschillende kleine planteneters die elkaar in ruimte en tijd aanvullen. Mogelijk kunnen verschillende soorten insecten, slakken en andere herbivoren gezamenlijk, gedurende een groter deel van het groeiseizoen, een continue vraatdruk uitoefenen op watercrassula. Om te bepalen welke diersoorten hiervoor in aanmerking komen, is echter nog meer onderzoek nodig naar de inheemse herbivoren die van watercrassula eten, hun voorkeur voor deze plant en de rol die zij gezamenlijk kunnen spelen in het vergroten van de natuurlijke weerstand van ecosystemen tegen watercrassula.


Een veldstudie opzetten
Voor de veldstudie zijn rupsen van de gamma-uil speciaal opgekweekt. Hiervoor werden volwassen gamma-uilen in het veld gevangen met een nachtvlinderlaken. Nadat de vlinders eitjes hadden afgezet, werden zij vrijgelaten. De rupsen werden opgekweekt totdat zij groot genoeg waren om in de enclosures te worden uitgezet.
Om de rupsen tijdens de veldstudie binnen de opstellingen te houden en tegelijkertijd predatoren buiten te sluiten, zijn 37 enclosures ingericht met kunststof tonnen zonder bodem. De randen van de tonnen werden enkele centimeters in de bodem geslagen, waarna de bovenzijde werd afgesloten met een fijnmazig insectengaas. Zo ontstonden afgesloten enclosures waarin de rupsen onder vrijwel natuurlijke omstandigheden konden foerageren, zonder dat zij konden ontsnappen of werden gepredeerd. Rondom de enclosures is een tijdelijk raster geplaatst, zodat de koeien de enclosures niet konden bereiken.
De enclosures zijn geplaatst in 2 verschillende vegetatietypen. Een deel bestond vrijwel volledig uit watercrassula (meer dan 97 procent), terwijl in een tweede groep watercrassula samen voorkwam met de inheemse plantensoort melkkruid, in een verhouding van gemiddeld 85 procent watercrassula en 15 procent melkkruid. Hiermee kon niet alleen worden onderzocht of de rupsen watercrassula aten, maar ook of de aanwezigheid van inheemse plantensoorten invloed had op hun vraatgedrag en het uiteindelijke bestrijdingseffect. De enclosures kregen willekeurig 1 van 3 behandelingen: geen rupsen (controle), 20 rupsen of 40 rupsen. Gedurende 3 weken werden de enclosures regelmatig bezocht. Daarbij werd de dikte van de vegetatiemat op 3 vaste punten binnen iedere enclosure gemeten met een duimstok. Ook werd de bedekking van alle aanwezige planten, de overleving van de rupsen en de mate van vraatschade genoteerd.
Dit onderzoek is mogelijk gemaakt door een subsidie in het kader van het Landelijk Programma Natuur (LPN) van de provincie Noord-Brabant en uitgevoerd met medewerking van Aart Goedhart en Wouter Stempher van Natuurmonumenten. Natuurmonumenten stelde de studielocatie in de Dintelse Gorzen beschikbaar.
Tekst: Laura van Veenhuisen, Stichting Bargerveen; Jenz Bottema
Beeld: Jenz Bottema, Stichting Bargerveen; Martijn van de Loo
