Droogte dwingt ons opnieuw naar het landschap te luisteren
Atlas LeefomgevingDe zomer van 2026 was er een van records. Het was niet alleen de warmste zomer sinds het begin van de KNMI-metingen in 1901, maar het was ook uitzonderlijk droog. Eind augustus was het landelijke neerslagtekort opgelopen tot zo’n 285 millimeter, tegenover ruim 100 millimeter normaal. Beken vielen droog, natuur verdorde en het waterpeil van de Rijn zakte eind juli bij Lobith naar de laagste waterstand ooit gemeten.
Inmiddels regent het weer. Maar de droogte werkt nog lang door: rivierstanden kunnen tot het einde van het jaar laag blijven en grondwaterstanden zelfs nog maanden langer. De gevolgen reiken verder dan een verdord landschap: oogsten lopen terug, lage rivierstanden hinderen de binnenvaart en bodemdaling kan leiden tot schade aan woningen.
Zonder klimaatverandering was deze zomer niet zo droog geweest, concludeert het KNMI. Maar volgens Jacob Knegtel, adviseur Water & Bodem bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, begint het verhaal van de droogte veel eerder. “De lage grondwaterstanden zijn niet alleen het gevolg van een paar extreme zomers. Dat hele droge landschap hebben we geërfd van eerdere generaties. Nu krijgen we een extra tik door klimaatverandering.”

Geven en nemen
Om te begrijpen hoe Nederland zo droog kon worden, neemt Jacob ons ruim 2500 jaar mee terug in de tijd. “Nederland was toen een onbegaanbare, kletsnatte wildernis met dikke veenpakketten, moerasbossen en dynamische getijdengebieden”, vertelt Jacob. “Op veel plekken was het te nat om te wonen of landbouw te bedrijven. Wie hier wilde leven, moest dus ingrijpen in het landschap. En dat deden we.”
Al rond 600 voor Christus bouwden de bewoners van kustgebieden van klei en plaggen verhogingen in het natte kustlandschap: de terpen en wierden. Vanaf ongeveer het jaar 1000 gingen mensen het natte landschap steeds meer naar hun hand zetten. Venen werden ontwaterd, dijken en sloten aangelegd en later hielpen watermolens om het water te sturen.
Maar water en bodem bleven grenzen stellen. “Daarmee werd onze omgang met water een kwestie van geven en nemen. Mensen vormden het landschap, maar moesten zich ook voegen naar wat een plek toeliet. Dat vroeg om kennis: waar bleef het droog, waar werd het nat en welk gebruik paste daarbij?”
Op de zandgronden woonden mensen bijvoorbeeld vaak op de iets hoger gelegen flanken langs een beekdal. Dicht bij het water, maar hoog genoeg om droge voeten te houden. Hogerop graasden schapen, lager op de nattere gronden ander vee. “Mensen wisten precies wat waar wel en niet kon. Er zat een logica achter: mensen leefden en werkten met het water en het landschap, in plaats van ertegenin. Dat zouden we nu duurzaam noemen.”
Dat geven en nemen zie je ook terug bij watermolens. Door beekwater op te stuwen, gebruikten mensen de kracht van het water om molens te laten draaien. Maar dan moesten ze wel accepteren dat stroomopwaarts land vernatte of zelfs onderliep. “Het was voortdurend zoeken naar hoeveel water je vasthield en hoeveel je liet gaan.”
Soms betekende droge voeten houden dat je natte voeten op de koop toe moest nemen. Langs de Maas lagen vanaf de late middeleeuwen overlaten: verlaagde stukken dijk waar de rivier bij hoogwater overheen kon stromen. Achterliggende polders liepen dan onder om de druk op de dijken elders te verminderen. “Een mooi voorbeeld van geven en nemen”, zegt Jacob. “Je gaf het water op een vooraf bepaalde plek de ruimte om grotere problemen elders te voorkomen. Geven en nemen, in de meest letterlijke zin.”

Nederland werd steeds beter in water kwijtraken
Vanaf de negentiende eeuw werd het geven steeds meer nemen. “Mensen kregen door nieuwe technieken steeds meer middelen om zelf de baas te worden”, zegt Jacob. “Met stoomgemalen konden grote hoeveelheden water worden weggepompt. Steeds vaker bepaalden mensen waar het water wel en niet mocht komen.”
Ook onze rivieren moesten zich in toenemende mate naar onze wensen voegen. Rivierlopen maakten we rechter en ruimer, zodat hoogwater sneller weg kon en schepen makkelijker konden passeren. Dat is goed te zien aan de Maas. “Die was vroeger vergelijkbaar met de huidige Loire in Frankrijk”, vertelt Jacob. “De rivier meanderde sterk en kende sterk wisselende waterstanden.” Maar voor de scheepvaart was een beter bevaarbare rivier nodig en na de watersnood van 1926 werd ook het sneller afvoeren van hoogwater urgent. Daarom werden bij de Maas tussen Grave en Blauwe Sluis na de overstroming in 1926 tien bochten afgesneden. Het riviertraject werd daardoor 19 kilometer korter.

Na de Tweede Wereldoorlog werden we kampioen water afvoeren. Na de voedselschaarste van de oorlog moest de landbouw meer én efficiënter produceren. Zware machines vroegen om drogere grond. Bij ruilverkavelingen werden percelen samengevoegd, beken en sloten rechtgetrokken en watersystemen ingericht om water snel af te voeren. “Talrijke eeuwenoude landschappen zijn in korte tijd bijna onherkenbaar geworden. Meanders en natte gebieden verdwenen, net als het fijnmazige landschap van greppels, kleine sloten en houtwallen.”
Ook ondergronds waren de gevolgen groot. Onderzoek van Deltares laat zien dat door de intensievere ontwatering de grondwaterstand op veel plekken daalde. Daardoor namen ook de kwelstromen af: natuurgebieden kregen minder grondwater aangevoerd en beken werden minder vanuit de bodem gevoed.
Ontwateren werd ook ontleren
Maar met het landschap veranderde ook onze verhouding ertoe. Volgens Jacob verdween met de ontwatering ook steeds meer de noodzaak om precies te weten wat een plek van nature aankon. We werden minder afhankelijk van wat het landschap ons bood. Kunstmest maakte bijvoorbeeld de natuurlijke aanvoer van voedingsstoffen minder belangrijk. Met het prikkeldraad verdwenen heggen, en daarmee leefgebied voor planten en dieren.
“We hadden eigenlijk dat hele systeem niet meer nodig. Daarmee raakten we ook onze band met de natuur kwijt.” Jacob noemt dat ‘onthechting’: een keerpunt na eeuwen waarin mensen zich juist aan het landschap hechtten en hun manier van leven daarop afstemden. Met die band verdween ook de kennis om te lezen wat het landschap ons vertelt: waar stroomt het water, welke plekken zijn van nature nat of droog en welk gebruik past daarbij?
De keerzijde van maakbaarheid
Juist in droge perioden wordt de keerzijde zichtbaar. Vooral op de hoge zandgronden in het oosten en zuiden wringt het volgens Jacob. Daar wordt water via natte beekdalen en laagtes afgevoerd. Door die van nature trage afwatering drastisch te versnellen, werd op veel plekken landbouw mogelijk, maar daalde ook het grondwater. In droge periodes missen we dat water. En aanvullen is juist hier lastig: de zandgronden zijn sterk afhankelijk van regen. Rivierwater krijg je er nauwelijks naartoe.
De droge zomer van 2026 liet zien wat dat betekent. In Brabant vielen beken droog of dreigden ze droog te vallen. Op hoger gelegen gebieden als de Maashorst en de Strabrechtse Heide zakte het grondwater ver onder het normale niveau. In enkele kwetsbare beken werd zelfs grondwater opgepompt om vissen, planten en insecten van ‘overlevingswater’ te voorzien.
Wat in natte maanden wordt afgevoerd, is in een droge zomer dus niet zomaar terug te halen. “Alles wat er valt, willen we zo goed mogelijk daar houden.”
In het lage westen speelt volgens Jacob een ander probleem: zout. Normaal helpen gemalen en zoet rivierwater daar om het waterpeil op niveau te houden. Maar als rivieren in een droge periode minder water aanvoeren, kan zout water vanuit zee steeds verder landinwaarts trekken.
In de zomer van 2026 trok zout water via de Leidsevaart richting de Bollenstreek. Bij Heemstede werd de route geblokkeerd: een schot dwars in de vaart moest het zoutere water bij de bollenvelden weghouden.

Landschap opnieuw leren lezen
Maar romantiseren we dat oude landschap niet een beetje? Jacob hoeft niet lang over het antwoord na te denken. “Vroeger was alles beter? Dat was gewoon niet zo. Leven in het natte Nederland was juist lastig. Mensen móésten zich voegen naar wat het landschap toeliet. Maar wat we vroeger wel goed deden, puur uit noodzaak, was dat geven en nemen.”
Die noodzaak maakte mensen goede lezers van het landschap. Ze moesten weten hoe een overstroming gebruikt kon worden, waar grondwater vanzelf omhoogkwam (kweldruk) en wat waar mogelijk was. Terug naar het historische landschap kan niet en hoeft voor Jacob ook niet. Wel kunnen we opnieuw leren lezen wat de geschiedenis van het landschap ons vertelt.
Soms begint dat verrassend eenvoudig: bij een naam. Goor, broek en veen bijvoorbeeld. Oude woorden die verraden dat een plek ooit nat of drassig was. Hoe fijnmazig die kennis was, ontdekte Jacob toen hij een historische kaart van Zuid-Friesland bekeek. “Heel die kaart zat vol met toponiemen of veldnamen. Elk kaveltje had een andere naam.” Toen hij de kaart over een gedetailleerde bodemkaart legde, bleken de namen opvallend goed aan te sluiten bij de bodem eronder. “Wat ik mooi vind, is dat wat mensen onder hun voeten hadden een naam kreeg.”
Historische kaarten maken ook zichtbaar wat uit het landschap is verdwenen. Leg je kaarten uit verschillende tijden naast elkaar, dan zie je natte plekken verdwijnen en waterlopen veranderen. Een beek die van de kaart verdween of een laagte die vroeger nat was, vertelt zo waar het water ooit zijn weg vond, maar ook waar het misschien opnieuw ruimte kan krijgen.
Op Landgoed ’t Medler bij Vorden werd die kennis al in praktijk gebracht. Bij de herinrichting werd gekeken naar het natuurlijke én historische watersysteem. Oude waterlopen zijn deels hersteld en de Vordense Beek kreeg meer ruimte. Daardoor wordt water beter vastgehouden en krijgt het meer tijd om in de bodem te trekken.
Maar zo’n herstel levert meer op dan een beter werkend watersysteem. “Je geeft bewoners ook een stukje historie en eigenheid terug.” Daarmee kan ook de band met het landschap weer sterker worden. En juist die herkenning kan helpen om mensen mee te krijgen in veranderingen die nodig zijn.
Opnieuw leren leven met het landschap
Het landschap opnieuw leren lezen is één ding. Ernaar handelen is iets anders. En juist daar schuurt het volgens Jacob soms. Want water en bodem weer meer laten bepalen wat waar kan, betekent soms dat bestaande keuzes opnieuw ter discussie komen te staan.
Dat zie je in Enschede. Een kaart rond 1900 toont een wirwar van beken. De meeste verdwenen later onder de grond of maakten plaats voor woningbouw. In de laaggelegen wijk Pathmos, die als een soort badkuip in de stuwwal ligt, werden in 2024 na extreme regen tientallen woningen onbewoonbaar. De oude kaart maakt zichtbaar wat de huidige stad verhult en dwingt opnieuw tot de vraag: wat kan waar?
Ook de natuur is het resultaat van keuzes. Jacob: “Kijk bijvoorbeeld naar de grote bossen die op de hoge zandgronden zijn aangeplant. Sommige daarvan beschouwen we inmiddels als vanzelfsprekende natuur. Maar staan die bossen daar eigenlijk wel goed? Of willen we niet veel meer loofbossen en loofbomen op plekken waar we nu dennen hebben?”
Bij het Lisseven bij Best laat een kaart van rond 1900 zien dat op de plek van een later aangeplant productiebos vroeger natte heide en vennen lagen. Inmiddels is een deel van het bos afgestorven en wordt het ven hersteld.

Ruimte geven is ruimte accepteren
Daar zit volgens Jacob de moeilijkste stap. “We weten eigenlijk best goed wat we waar moeten doen.” Moeilijker is accepteren dat water weer ruimte krijgt op plekken waar we het jarenlang hebben weggeduwd. Die omslag klinkt ook door in het beleidsprincipe ‘water en bodem sturend’: bij de inrichting van Nederland wegen de grenzen van water en bodem zwaarder mee.
Daarmee komt ook het oude geven en nemen terug. We moeten ons landschap opnieuw leren lezen en daarnaar handelen. Want hoe maakbaar Nederland ook is, uiteindelijk trekt de natuur een grens. “Je kunt niet alles oplossen met techniek. We zijn eigenlijk in relatief korte tijd 180 graden gedraaid. We wilden af van dat vele water en nu hebben we het juist heel hard nodig. Nu worden we gedwongen om in korte tijd te herstellen wat we ook in korte tijd hebben toegebracht.”
Volgens Jacob is de balans tussen mens en landschap zoek. Om die te herstellen, moeten we weer nieuwsgierig worden naar hoe mensen vroeger met het landschap omgingen. En misschien zit precies daarin de les van het landschap: niet alleen nemen, maar ook weer geven. “Als we water de ruimte geven, moeten we die ruimte ook accepteren.”
Meer lezen?
- Watertijdreis | Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer)
- Kaart Ruimte voor water in de grond | Atlas Leefomgeving
- Kaarten Landschappen van vroeger | Atlas Leefomgeving
- Nederland moet zoet water beter vasthouden | Nature Today
- Beleef het Geuldal als natuurlijke klimaatbuffer | Atlas Leefomgeving
- Aquaducten op Landgoed 't Medler | Waterschap Rijn en IJssel
- Themapagina Droogte | Atlas Leefomgeving
Tekst: Jeannine Brand, Atlas Leefomgeving
Kaarten: Atlas Leefomgeving; Watertijdreis; Maas in beeld: Keent
Beeld: Pixabay; Mediatheek Rijksoverheid; Jeannine Brand
