Steeds minder stadse staartmezen

Sovon Vogelonderzoek Nederland
7-DEC-2018 - Ieder voorjaar tellen vogelaars weer iets minder staartmezen in steden en dorpen. Het vriendelijke ge-’die-die-die’ van twee staartmeesjes die ijverig aan een kunstig nest bouwen is steeds minder te horen. Hoe kan dat?
Deel deze pagina

Vandaag meldt het CBS op basis van cijfers van Sovon dat dertien van twintig stadsvogels afnemen. In het lijstje met afnemende soorten in het stedelijk gebied prijken ook heel algemene soorten, zoals de merel, spreeuw en kauw. De staartmees is minder bekend, maar dat maakt hem niet minder interessant.

Wijd verspreid, maar steeds iets dunner

Veranderingen in het voorkomen van Staartmezen in de Vogelatlas (2013-2015) ten opzichte van 1998-2000Staartmezen broeden verspreid over vrijwel het hele land, zo laten de kaartjes van de nieuwe Vogelatlas zien. Dezelfde kaarten geven ook weer dat je ze vooral in de bosrijkere gebieden tegenkomt, als daar tenminste genoeg nestgelegenheid is. Staartmezen nestelen graag in dichte struiken, maar ook in coniferen of andere bomen. Vergeleken met de periode rond 2000, de vorige atlas, zijn hun aantallen in aardig wat regio’s uitgedund, waaronder het stedelijk gebied.

Minder in bebouwde kom

In onze sterk verstedelijkte omgeving (16% van ’s lands oppervlak) zijn staartmezen aangewezen op tuinen en parken. Gelukkig zijn er tegenwoordig genoeg vogelaars om in dit stadse biotoop vogels te tellen. Hun gegevens laten een afname van zeker 20% in de afgelopen tien jaar zien. Dat is best fors, zeker als je bedenkt dat een aanzienlijk deel van alle staartmezen in het stedelijk gebied broedt. Vanwaar die afname?

Stadse opruimwoede

Dat stadse staartmezen het moeilijk hebben, kan samenhangen met het veranderende groenbeheer van gemeentes, maar ook met wijzigingen in tuinonderhoud. Hoewel goede cijfers daarover ontbreken, zal niemand de tendens zijn ontgaan dat struwelen en heggen steeds vaker plaats moeten maken voor gazons of tegels. Dat betekent niet alleen minder leefgebied voor de staartmees, maar ook voor andere struweelvogels (zie Vogelbalans 2016, p. 9).

Vinger aan de pols

Niet alles rond het huis is kommer en kwel. Pimpelmezen, koolmezen, eksters en gaaien laten in de afgelopen kwarteeuw bijvoorbeeld stabiele aantallen zien. Toch is het belangrijk om ook in onze directe omgeving een vinger aan de pols te houden. In stedelijk gebied gaan ontwikkelingen soms een heel andere kant op dan elders in het land. Neem de merel en zanglijster, die in het stedelijk gebied  afnemen, in tegenstelling tot daarbuiten. Als MUS-teller kun je ons helpen met monitoren door broedvogels in een postcodegebied te tellen.

Tekst: Albert de Jong, Sovon Vogelonderzoek Nederland
Foto: Ruud van Beusekom
Kaart: Sovon Vogelonderzoek Nederland

 

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen