Meest voorkomende dier ter wereld leeft vooral in het Hoge Noorden

Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW)
2-AUG-2019 - Uit de eerste wereldwijde bodeminventarisatie van aaltjes blijkt dat de grootste aantallen in Arctische gebieden voorkomen, en niet in de tropen. De studie is gestart door onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Ecologie, en uitgevoerd met gegevens van een groot internationaal team. In Nature leggen ze uit waarom klimaatverandering via deze bodemwormpjes een enorme impact kan hebben.
Deel deze pagina

Aaltjes onder de microscoopHet is de eerste keer dat wereldwijd in kaart is gebracht hoeveel aaltjes of chiquer gezegd 'nematoden' zich in de bodem bevinden. En dat is interessant, omdat deze kleine, vooral bodembewonende wormpjes de meest voorkomende diergroep op onze planeet vormen. Er zijn 57 miljard keer zoveel aaltjes in de bodem als mensen op aarde. Alles bij elkaar zijn dat ruwweg 4,4 x 1020 diertjes, veel meer dan eerder gedacht. Het totale gewicht aan bodemaaltjes bedraagt 300 miljoen ton.

Ook de totale hoeveelheid koolstof die in al die aaltjes zit, is berekend door het onderzoeksteam. Aaltjes zijn natuurlijk veel kleiner dan mensen: de meeste zijn minder dan een millimeter lang. “Als je het vergelijkt met mensen, zit er in totaal ongeveer de helft aan koolstof in aaltjes”, weet hoofdauteur en NIOO-onderzoeker Stefan Geisen. Een aanzienlijke hoeveelheid dus.

Meer aaltjes, meer CO2

“Wat het opmerkelijkst is, is dat de meeste aaltjes zich in de bodem van Arctische gebieden bevinden”, zegt co-auteur Wim van der Putten van het NIOO. Meestal horen we over de enorme aantallen dieren in de rijke tropen. Dat klopt wel voor bovengronds levende dieren, maar niet voor deze bodembewoners. Ongeveer 38 procent van alle aaltjes in de bodem leeft in bossen en toendra’s verspreid over Noord Amerika, Scandinavië en Rusland. In de gematigde gebieden leeft 24 procent; slechts 21 procent zit in de tropen en subtropen.

Door de lage temperaturen dichtbij de Noordpool zullen de aaltjes in het Hoge Noorden nu nog niet zo actief zijn. Maar als de temperaturen er verder oplopen door klimaatverandering, worden al die aaltjes actiever. Ze gaan dan de aanwezige bacteriën en schimmels opeten en maken zo veel voedingsstoffen vrij. Daardoor kan de afbraak van het veen in het Hoge Noorden versnellen, met een grote uitstoot van CO2 tot gevolg. En dat vergroot op zijn beurt het broeikaseffect, waardoor het klimaat op aarde nog sneller opwarmt. “Kortom: deze studie versterkt het idee dat we er alles aan moeten doen om de huidige klimaatverandering tegen te gaan”, legt Van der Putten uit. “Als we dat niet doen, gaan er allerlei processen lopen die de temperatuurstijging verder versterken. Dit is een belangrijke conclusie van deze studie.”

Wereldwijde nematodendichtheid in de boderm

Alle onderzoekers verzamelen!

De studie concentreert zich op de bovenste 15 centimeter van de bodem, die biologisch het meest actief is. Voor de studie zijn de gegevens van 6759 bodemmonsters bijeen gebracht. De onderzoekers bekeken ook de functies van de verschillende groepen aaltjes, die een zeer grote rol spelen voor de vruchtbaarheid in Nederlandse landbouwbodems.

Hoofdauteur Geisen verzamelde alle aaltjesinformatie van over de hele wereld, door een uitgebreid netwerk van collega-onderzoekers in te schakelen. Het Centrum voor Bodemecologie (CSE), een samenwerkingsverband van het NIOO met Wageningen Universiteit, heeft al een aantal nematologen (aaltjesonderzoekers) in huis en samen met hen heeft Geisen onderzoekers van over de hele wereld uitgezocht. Die onderzoekers heeft hij benaderd met de vraag of ze met hun gegevens aan de Nature studie wilden bijdragen. Met het Crowther Lab van het ETH in Zürich, van voormalig NIOO-onderzoeker Tom Crowther, is deze enorme vracht aan data verwerkt.

Meer informatie

Klik hier voor het Nature-artikel 'Soil nematode abundance and functional group composition at a global scale'.

Tekst: NIOO-KNAW
Foto's: Diana Wall (leadfoto: het nemen van een bodemmonster); Casper Quist
Kaart: Van den Hoogen & Geisen et al.

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen