gefaseerd maaien - primair

Gefaseerd maaien: er blijft altijd wat staan!

De Vlinderstichting
31-JAN-2022 - Op veel plekken ziet men de grote potentie van bermen en groenstroken voor de onder druk staande biodiversiteit. Er is steeds meer aandacht voor een natuurvriendelijk beheer ervan. Soms wordt wel gezegd dat gestopt moet worden met maaien, maar dat is meestal geen goede oplossing. Wel is het belangrijk dat er, ook nadat er is gemaaid, nog delen blijven overstaan.
Deel deze pagina

Bermen en groenstroken

In bermen en groenstroken zijn er enorme kansen voor versterking van de biodiversiteit

‘Dankzij’ de grote aandacht die de bijensterfte en de sterke achteruitgang van insecten en andere biodiversiteit heeft gekregen, zien we dat er meer aandacht is voor wat we daartegen kunnen doen. En dan komen al snel de bermen en groenstroken in het stedelijk gebied als potentieel leefgebied voor veel soorten naar voren. In tegenstelling tot het agrarische gebied hebben bermen en groenstroken geen productiefunctie en dat maakt dat er veel meer mogelijkheden zijn om rekening te houden met de eisen die planten en dieren stellen. Een regelmatig gehoorde opvatting over dat beheer is: “Stop nou toch eens met al dat maaien en laat de natuur haar gang gaan”. Dat klinkt logisch, maar als er niet wordt gemaaid komen er struiken en niet veel later bomen en bos. Dan zouden bossoorten sterk toenemen, maar zouden we erg veel andere soorten kwijtraken. Bovendien is bosontwikkeling in veel bermen niet gewenst omdat deze bedoeld zijn als verkeersbegeleiding en ook als ‘vluchtstrook’ voor verkeer. In bermen vinden we vooral grasvegetatie en als we de biodiversiteit er willen bevorderen, moeten we vooral proberen om er meer variatie, meer bloemen en meer kleur in te krijgen.

Maaien moet

Volop bloei tweede helft juni: de tijd dat de maaimachines komen

Om grasland in stand te houden, moet er worden begraasd of gemaaid. Begrazing is uit praktisch oogpunt vaak geen optie en de meeste bermen en groenstroken worden dan ook een, twee of meer malen gemaaid. We zien in het stedelijk gebied nog erg veel gazon dat wel zes of meer keren per jaar wordt gemaaid. Daar hebben soms wel wat bloemen de kans om even te bloeien, maar deze stukken zijn als leefgebied voor dieren ongeschikt. Voor de ontwikkeling van gevarieerd, soortenrijk grasland moet er een of tweemaal per jaar worden gemaaid, waarbij het maaisel altijd moet worden afgevoerd. Op rijkere gronden, zoals klei en veen is tweemaal maaien nodig om een te sterke verruiging te voorkomen. Op schrale gronden, zoals veel zandgrond, kan eenmaal maaien voldoende zijn. Dit beheer wordt dan ook gepropageerd in Kleurkeur, een keurmerk voor ecologisch beheer van bermen en groenstroken. Sommige opdrachtgevers vragen naar dit keurmerk bij aanbestedingen en inmiddels hebben al ruim duizend werknemers van aannemersbedrijven zich hierin geschoold. Een ander belangrijk element daarin is dat er bij iedere maaibeurt vijftien tot dertig procent moet worden overgeslagen. Dat stuk kan bij een volgende maaibeurt wel worden gemaaid, als er een ander stuk blijft staan. We noemen dat gefaseerd beheer.

Zwartsprietdikkopje kan zich alleen succesvol voortplanten als er ook in de winter overstaande grassen zijn

Nooit alles tegelijk

Bloei: nectar van voorjaar tot en met najaar, als bron van 'brandstof' voor vlinders en andere insecten en stuifmeel voor het broed van bijvoorbeeld bijen

Er zijn een aantal belangrijke redenen om gefaseerd te maaien. In de eerste plaats is het belangrijk dat er nectar en stuifmeel is voor vlinders, bijen, zweefvliegen en andere dieren in de berm. Als alles wordt gemaaid is er niets meer te halen en juist in juni, juli en augustus zijn er enorm veel van de bestuivers aanwezig in bermen en groenstroken. Dan moeten er dus bloeiende planten zijn. Ook als schuilmogelijkheid zijn die overstaande delen van belang; daar zullen allerlei dieren uit het gemaaide deel een goede schuilplaats vinden. Heel belangrijk is ook dat in stukken die niet worden mee gemaaid eitjes, rupsen, larven en poppen van allerlei insecten kunnen overleven. Zo zitten nu, in de winter, de eitjes van een vlinder als het zwartsprietdikkopje als eitjes in grashalmen. De vrouwtjes hebben die eitjes daar in juli en augustus afgezet en pas in de loop van maart komen de rupsjes eruit om te gaan eten van het nieuwe gras. Op plekken waar na augustus alles wordt weggemaaid, zal het zwartsprietdikkopje zich dus niet kunnen voortplanten en dit geldt voor veel meer diersoorten. Je hoort wel eens van echte plantenmensen dat ze bang zijn dat de soortenrijke begroeiing verdwijnt als je stukken laat staan, maar onderzoek uit Zwitserland vindt, ook na vijf jaar gefaseerd maaien, geen verandering in de vegetatie. En de overstaande stukken zijn dus nooit meer dan dertig procent en worden vaak bij een volgende maaibeurt wel weer gemaaid.

Meer informatie

Tekst en foto’s: Kars Veling, De Vlinderstichting