Roeken en kauwtjes in de mist

De roek, een verguisde sfeermaker

Sovon Vogelonderzoek Nederland
15-DEC-2023 - Een winderige dag in oktober. De verre roep van een roek, al snel gevolgd door helder gekakel van kauwtjes. Het duurt even, maar dan ontdek je nauwelijks te ontwaren stipjes hoog in de lucht. Het blijkt een breed front arriverende roeken en kauwen, wie weet waar vandaan, maar altijd spelend, altijd levendig. Een paar decennia geleden nog een jaarlijkse belevenis, nu een mooie herinnering.

Roeken broeden in kolonies en hun nesten zijn makkelijk te tellen. Daarom is hun aantalsverloop in Nederland en elders veel nauwkeuriger en over een veel langere periode bekend dan bij de meeste vogelsoorten (Figuur 1). Overwinterende roeken zijn lastiger te tellen en daarom zijn wintertellingen pas veel later gestart. De wintertrend van de roek loopt pas sinds 1980 en wordt gemaakt op basis van PTT-tellingen die door Sovon worden gecoördineerd (zie onderaan dit bericht). In plaats van op pad gaan voor een telling, kan je echter ook blijven zitten en opschrijven wat er aan vogels overvliegt. Zeventig jaar geleden begon een enkeling met trektellen, waardoor we een beeld hebben van de mate waarin roeken ons land passeerden. In Figuur 2 zijn gegevens van aantallen roeken op trek samengevat, waarbij onderscheid is gemaakt tussen trektelposten in de oostelijke Achterhoek en Limburg (vanaf 1976 geteld) en telposten in de rest van het land (overig, vanaf 1953). De hoofdmacht van roeken op trek schampte namelijk de oostgrens van Nederland. Tegenwoordig is deze stroom trekvogels nagenoeg opgedroogd. Kortom, we hebben drie bronnen waaruit we kunnen putten om de aantalsontwikkeling van de roek op een rij te zetten: tellingen van broedkolonies, PTT-tellingen in december en trektellingen in het voor- en najaar.

Figuur 1 (links): aantal roeken in Nederland in de winter (gebaseerd op indexen van PTT) en broedtijd (gebaseerd op kolonievogeltellingen en een reeks uit de Avifauna van Nederland 2 (2001)). Daarbij is 2020 (minimum in PTT) voor beide op 100 gesteld. Figuur 2 (rechts): waargenomen najaarstrek van roeken per uur op trektelposten langs de uiterste oostgrens van Nederland en van de overige trektelposten

Levenswijze

De roek is een bodemfoerageerder. Hij leeft van insectenlarven, regenwormen en zaden, waaronder granen. Vanwege dat laatste, overigens niet meer dan een paar procent van het dieet, is hij van oudsher niet erg geliefd bij de boerenbevolking en vanwege de opvallende nesten is hij lokaal makkelijk uit te roeien. Door zijn voedselkeus is hij gevoelig voor veranderingen in de landbouw, zowel wat gewaskeus als het gebruik van bestrijdingsmiddelen betreft.

Verspreiding en aantalsontwikkeling in Europa

Roek met regenworm

Nederland is maar een klein deel binnen het enorme verspreidingsgebied van de roek dat, binnen de gematigde zone van landbouwgebieden en steppes, van Ierland tot Mongolië reikt. Daar raakt het op een haar na het areaal van de ooit door landijs afgescheiden oostelijke ondersoort.
Tellingen van roekenpopulaties in Europa gaan terug tot 1850. Ze laten steeds ingrijpende aantalsveranderingen zien, tot lokaal uitsterven toe. Niet alleen verdwenen er soms hele kolonies, maar werden er soms zelfs complete Duitse deelstaten ontvolkt. De oorzaak van deze turbulente veranderingen lag in verdelgingsacties, die vooral werden onderbroken door oorlogen. Deze periodieke aantalsveranderingen verliepen allerminst synchroon binnen Europa. Maar vanaf 1950 kwam daar verandering in en namen roeken vrijwel overal in aantal af. Het dieptepunt van deze grootschalige afname werd rond 1970 bereikt en was ook te zien bij de Nederlandse broedvogels (Figuur 1). De belangrijkste oorzaak van de neergang was het gebruik van gechloreerde koolwaterstoffen en kwikverbindingen in de landbouw, die tot ver achter het IJzeren Gordijn op grote schaal werden gebruikt. Waarschijnlijk zorgde deze ontwikkeling er ook voor dat er veel minder roeken vanuit landen ten noordoosten van ons op trek werden gezien in het westen van Nederland (Figuur 2).

Herstel

Rond 1970 werden de genoemde bestrijdingsmiddelen op veel plekken verboden, wat een onmiddellijk en snel herstel van de roekenpopulaties inluidde. Ook de Nederlandse kolonies begonnen weer te groeien. Dit herstel is nog net zichtbaar in het aantal overwinterende roeken in Nederland. Maar al tien jaar voordat de groei van de broedvogelpopulatie stopte, vond er een kentering plaats en begonnen de winteraantallen af te nemen. In de aantallen doortrekkers langs de grens was een korte opleving zichtbaar, maar vanaf 1980 geraakten de aantallen trekkende roeken in een vrije val. Dat moment markeert waarschijnlijk vrij nauwkeurig een omslagpunt in het gedrag van roeken; de oostelijke populaties besloten om in hun broedgebieden te blijven overwinteren in plaats van weg te trekken naar regio’s met een gematigder winterklimaat.

Roeken zoeken ook in de bebouwde kom naar voedsel

Urbaan versus ruraal

Toen ik in Assen kwam wonen, broedden daar nog geen roeken en kende ik ze vooral van landgoederen die grenzen aan Drentse beekdalen. Nu zijn er verspreid door de stad enkele kolonies die bewoond worden door ongeveer driehonderd paren. Ze foerageren in bermen binnen de bebouwde kom, soms op de paardenweitjes van hobbyboeren direct tegen de stad aan en minder vaak op pas ingezaaide percelen graan of maïs verder van de stadsrand. De meeste kolonies op landgoederen zijn inmiddels opgedoekt. Figuur 3: roekenkolonies (aantal nesten) in Nederland in agrarisch gebied (inclusief bosjes en natuurgebieden) versus kolonies binnen de bebouwde komZou het kunnen dat roeken het platteland hebben verruild voor de stad, alle recente pogingen tot verjaging ten spijt? Dat lijkt er wel op: in 1980 broedde nog zo’n 80 procent van de Nederlandse roeken op het platteland, in 2023 was dat gedaald naar 29 procent (Figuur 3). Eenzelfde verschuiving is ook in andere delen van Europa opgemerkt. Vrijwel zeker biedt het stadsmilieu in vergelijking met het platteland met name ’s winters veel meer mogelijkheden om te overleven. In samenspel met de zachtere winters heeft het urbane gebied het voor de roeken mogelijk gemaakt om hun populaties te herstellen en hun tegelijkertijd de noodzaak ontnomen van een hachelijke reis naar het zuidwesten.

PTT-tellingen

Al sinds 1978 coördineert Sovon de Punt Transect Tellingen (PTT). Deze tellingen worden ook wel het 'fietsrondje voor de wetenschap' genoemd. Langs een route tellen vogelaars op twintig punten precies vijf minuten alle vogels die ze waarnemen. Tegenwoordig worden op deze manier al zevenhonderd routes geteld. De telling is eens per jaar, in de tweede helft van december. Met de verzamelde gegevens is het mogelijk om de aantalsontwikkeling te volgen van soorten die bij ons overwinteren en die niet aan water gebonden zijn, zoals de roek. Meer informatie, ook over hoe je kunt deelnemen, lees op je op de projectpagina.

Meer informatie

Tekst: Willem van Manen, Sovon Vogelonderzoek Nederland
Foto's: Thijs Glastra (leadfoto: roeken en kauwtjes in de mist); Bert Dijkstra; Harvey van Diek
Figuren: Sovon Vogelonderzoek Nederland