Stengelmijn van  amandelwilgenslakkenspoormot Phyllocnistis triandricola.

Slakkenspoormotten het spoor bijster? Eén soort erbij, één eraf

Microlepidoptera.nl, Naturalis Biodiversity Center, Vlaamse Vereniging voor Entomologie
24-JAN-2026 - Nieuws uit microvlinderland: de pas in 2023 beschreven slakkenspoormot Phyllocnistis triandricola is nu ook in Nederland en België gevonden. Maar de al lang bekende Phyllocnistis saligna blijkt op grond van DNA-onderzoek niet in Nederland voor te komen. De gewone wilgenslakkenspoormot moet nu Phyllocnistis asiatica heten.

Slakkenspoormotten zijn onopvallende witte motjes van een paar millimeter lang, waarvan vooral de vraatsporen van de rups opvallen: lange slingerende mijnen op bladeren en soms stengels van populieren en wilgen, die lijken op het slijmspoor van een slak. De rups eet alleen het sap van de bovenste cellaag, de epidermis, die er daardoor zilverachtig uit ziet. Bovendien mineren de Phyllocnistis-soorten alleen in heel jonge bladeren en scheuten. 

Rups in stengelmijn

In Nederland waren tot nu toe zes soorten bekend. Twee daarvan werden pas de laatste jaren in ons land ontdekt: de geel-slakkenspoormot (Phyllocnistis valentinensis) sinds 2017 en de peppeltwijgmineermot (Phyllocnistis extrematrixsinds 2018

Soortenclusters

De wilgenslakkenspoormot, bekend als Phyllocnistis saligna, is een wijdverspreide soort in Nederland die op diverse soorten wilgen leeft. Al enige jaren is bij onderzoekers bekend dat de DNA-barcodes van de wilgenslakkenspoormot in Europa drie nogal verschillende clusters vormen. Eén van die clusters werd zo’n tien jaar geleden herkend als de uit Rusland beschreven soort Phyllocnistis asiatica. Deze soort werd ook in 2017 nieuw voor ons land vermeld, waarbij toen het idee was dat deze soort van P. saligna onderscheiden kon worden door de vorm van de blad- en stengelmijn en de DNA-barcode. Na die vondst verzamelde Naturalis-onderzoeker Erik van Nieukerken rupsen van de wilgenslakkenspoormot op verschillende plaatsen in ons land. Ondanks grote verschillen in de vorm en lengte van de mijnen konden geen verschillen in het DNA worden gevonden, en behoorden alle exemplaren die op schietwilg en kraakwilg werden gevonden tot de cluster die als P. asiatica was gedetermineerd. De open vraag: wat was dan de échte P. saligna

Wilgenslakkenspoormot (Phyllocnistis asiatica)Die vraag werd in 2023 beantwoord door een internationaal team (Voith en anderen; pdf: 4,6 MB) van onderzoekers die een nieuwe soort uit Noorwegen beschreven, die vrijwel alleen op amandelwilg (Salix triandra) gevonden werd. Deze soort, Phyllocnistis triandricola, vormde de derde DNA-cluster die daarvoor nog niet van P. saligna was gescheiden. Deze soort werd daarna op verschillende plekken in Europa vastgesteld, ook op andere wilgensoorten. Zij stelden ook vast bij welk DNA-cluster de echte P. saligna hoort. Deze soort werd beschreven door P.C. Zeller in 1839 uit wat nu Polen is, en lijkt vooral gebonden aan de bittere wilg, (Salix purpurea) iets wat Zeller in een volgend artikel in 1848 ook al opmerkte (onder de naam Salix helix). 

DNA-barcodes

Eind 2024 vond Erik van Nieukerken voor het eerst mijnen in de stengels en bladeren van amandelwilg in de buurt van Zevenaar, maar kon ze nog niet met zekerheid determineren. In juni 2025 werd opnieuw gezocht en konden levende rupsen worden gevonden op verse scheuten van de amandelwilg, en werden vlinders uitgekweekt. Het DNA-onderzoek bevestigde de determinatie als Phyllocnistis triandricola, nieuw voor Nederland. In september werden mijnen met dode poppen gevonden in de Brabantse Biesbosch, die eveneens door DNA-barcodering als zodanig bevestigd werden. De soort werd in de Biesbosch ook gevonden op bittere wilg, op een perceel direct naast de amandelwilg. Ook werden enkele onvoltooide mijnen met dode rupsen gevonden op de aangeplante exoot Salix miyabeana. Omdat geen enkele voltooide mijn werd gevonden, lijkt het erop dat de rups niet op deze plant kan overleven. 

Ondertussen had de Vlaamse insectenkenner Steve Wullaert in augustus poppen en rupsen verzameld langs de Maas in Belgisch Limburg. Bij het DNA-onderzoek van één exemplaar bleek deze ook te behoren tot P. triandricola.

Wilgenslakkenspoormot

Concluderend: Phyllocnistis triandricola is nieuw voor Nederland en België en komt tenminste voor in het rivierengebied op amandelwilg en (zelden?) op bittere wilg. De Nederlandse naam is amandelwilgenslakkenspoormot. De echte Phyllocnistis saligna lijkt niet in Nederland en België voor te komen, de gewone soort hier is Phyllocnistis asiatica. Deze leeft vooral op schietwilg en kraakwilg, maar is ook waargenomen op katwilg en laurierwilg. De Nederlandse naam wilgenslakkenspoormot kan voortaan voor deze soort worden gebruikt.

 Vrouwtje amandelwilgenslakkenspoormot (Phyllocnistis triandricola)Stengelmijn van de amandelwilgenslakkenspoormot op jonge scheut van amandelwilg

 

Genitaliën

Herkenning van deze soorten is lastig. Voith en anderen vonden een kenmerk in de vrouwelijke genitalia. Ook zagen zij een kenmerk in de lengte van het lengtebandje op de voorvleugel: dat zou korter zijn bij P. triandricola. Hoewel dat bij de Nederlandse P. triandricola lijkt te kloppen, is P. asiatica erg variabel en lijkt het nodig om meer materiaal te bestuderen. Wij denken dat er mogelijk een extra kenmerk zit in de zwarte streepjes aan de voorrand van de vleugel, zie de pijltje op de foto’s: het streepje dat bij P. triandricola duidelijk is, ontbreekt (meestal) bij P. asiatica.

Vooralsnog is determinatie van gevangen of gefotografeerde vlinders niet goed mogelijk zonder DNA-onderzoek of onderzoek van de vrouwelijke genitaliën. Mijnen op amandelwilg in het rivierengebied zullen meestal wel tot P. triandricola horen. Voor nader onderzoek hebben we vooral behoefte aan gekweekte vlinders van verschillende wilgensoorten, met name andere soorten dan schietwilg of kraakwilg. Waarnemingen op bittere wilg zijn met name interessant, omdat daar misschien toch de echte Phyllocnistis saligna bij zou kunnen zitten.

Het lijkt verstandig om de naam van alle waarnemingen die nu op Waarneming.nl, in NDFF en op Waarnemingen.be en andere Belgische sites staan te wijzigen in 'Phyllocnistis saligna-complex'. Alleen materiaal met een DNA-barcode kan voorlopig met zekerheid worden gedetermineerd.  

Levenswijze en zoektips

Bij beide soorten beginnen de rupsen met een korte en dunne mijn op een vers blad aan een pas uitgelopen scheut, en mineren daarna verder in de bast van de tak. Als de rups bijna volgroeid is, gaat hij weer via de bladsteel naar een tweede blad en maakt tenslotte aan de bladrand een vouw, waarin de rups een cocon spint en vervolgens verpopt. Die vouw is meestal opvallend. Zelden blijft de mijn beperkt tot één blad. De vlinder komt binnen enkele weken al uit. Er zijn tenminste twee generaties per jaar, en de vlinders die in de herfst zijn uitgekomen overwinteren. Vlinders worden in de meeste maanden waargenomen, en de eerste mijnen verschijnen meestal in juni. Het voorkomen van de latere generaties hangt sterk af van de aanwezigheid van jonge scheuten. Soms kunnen rupsen nog tot laat in het jaar worden gevonden, maar na midden september nog maar zelden. 

Popkamer in omgeslagen bladrand

Om de verse mijnen te vinden is het handig om te zoeken naar de jonge scheuten. Bladeren met een pop vallen vaak sterk op en kunnen gemakkelijk worden verzameld om de vlinder uit te kweken. De grote meerderheid van de waarnemingen op Waarneming.nl en Waarnemingen.be zijn van oude, al lang verlaten mijnen. We zouden waarnemers willen aansporen daar niet tevreden mee te zijn, maar door te zoeken naar verse mijnen met rupsen of poppen. Als de vlinder is uitgekomen, is dat te zien aan de achtergebleven pophuid. Probeer vooral de wilgensoort waarop de mijnen worden gevonden te determineren. Amandelwilg is makkelijk te herkennen aan de getande steunblaadjes, zie bijgaande foto’s. 

Meer informatie

Tekst: Erik J. van Nieukerken, Naturalis Biodiversity Center; Steve Wullaert; Vlaamse Vereniging voor Entomologie; Tymo Muus, Microlepidoptera.nl 
Beeld: Erik J. van Nieukerken (leadfoto: stengelmijn van amandelwilgenslakkenspoormot Phyllocnistis triandricola); Joey Bom