Tel de bloemen, meet de biodiversiteit van een grasland
De Vlinderstichting, Wageningen University & ResearchSommige graslanden kennen in de lente en zomer een enorme diversiteit aan bloemen. Natuurliefhebbers weten dat deze plekken ook wemelen van allerlei soorten insecten. Maar kunnen de bloemen daadwerkelijk aangeven hoeveel planten- en insectensoorten er in een grasland voorkomen, en kunnen ze dienen als praktisch hulpmiddel voor grootschalig biodiversiteitsonderzoek? Dat is precies de vraag die onderzoekers van Wageningen University & Research wilden beantwoorden. Hun bemoedigende resultaten zijn nu gepubliceerd in het tijdschrift Ecological Indicators.
Het probleem met het meten van biodiversiteit
“Biodiversiteitsonderzoek is erg arbeidsintensief, vooral als het gaat om insecten en andere ongewervelden”, zegt Reinier de Vries, hoofdauteur van de studie. “Er zijn enorm veel soorten, en vaak is specialistische kennis nodig om ze te vinden en te identificeren. Veel insecten zijn bovendien maar kort actief. Dit maakt het praktisch onmogelijk om alle insectenpopulaties in ons landschap te monitoren.” Daarom richten de meeste onderzoeken zich op kleine gebieden of op enkele soortgroepen – vaak de best bekende groepen, zoals vlinders of loopkevers – waarvan wordt gehoopt dat ze indicatief zijn voor de bredere soortengemeenschap. Helaas laten veel studies zien dat de diversiteit van deze groepen niet noodzakelijkerwijs de diversiteit van andere insecten weergeeft. Ook het aantal plantensoorten weerspiegelt niet altijd de biodiversiteit van ongewervelden, en vergt nog steeds tijdrovend en specialistisch monitoringswerk.
Ecologen zoeken daarom naar indicatoren die representatief zijn voor bredere biodiversiteitstrends, maar die ook snel te meten en eenvoudig te interpreteren zijn. Dergelijke indicatoren kunnen de kwaliteit van bepaalde habitats voor de biodiversiteit weergeven. In graslandhabitats blijken bloemen hiervoor geschikt te zijn.
Insecten en bloemen tellen
De onderzoekers bezochten 41 graslanden in het zuidelijkste deel van Nederland: een kleinschalig, heuvelachtig landschap en een van de biodiversiteitshotspots van het land. De Vries zegt: “Deze graslanden dekten het volledige spectrum van landgebruik, van intensief bemeste agrarische graslanden tot extensief beheerde, half-natuurlijke graslanden met een grote diversiteit aan bloeiende planten.” Graslanden beslaan 20 procent van het Nederlandse landoppervlak, maar soortenrijke graslanden zijn de afgelopen decennia zeldzaam geworden, vooral als gevolg van de intensivering van agrarisch landgebruik.
Het onderzoeksteam stippelde in elk grasland een transect van 150 bij 1 meter uit. Alle bloemen binnen dit transect werden geteld en geïdentificeerd, en insecten en spinnen werden in kaart gebracht met behulp van sleepnetten en tellingen van bestuivers. Elk transect werd geïnventariseerd in april, juni en juli. “We hebben in totaal 520 verschillende soorten geleedpotigen gevonden, waaronder wilde bijen, wantsen, spinnen, mieren, sprinkhanen en diverse families van vliegen en kevers”, zegt De Vries. “We hebben onderzocht of de soortenrijkdom van deze groepen verklaard kan worden door de soortenrijkdom of de totale bedekking van bloemen in het grasland.”

De soortenrijkdom van bloemen is bepalend
De rijkdom aan soorten bloemen (bloemrijkdom) in een transect voorspelde de soortenrijkdom van planten en van zes van de zeven groepen geleedpotigen. De Vries: “Waarschijnlijk weerspiegelen deze relaties verschillende ecologische verbanden. De relatie met plantenrijkdom is logisch, en we weten ook dat bestuivende insecten, zoals wilde bijen, sterk reageren op de bloemrijkdom. Maar we vonden ook positieve relaties met spinnen en sprinkhanen, die niet direct afhankelijk zijn van bloemen. Waarschijnlijk geeft een hoge bloemrijkdom aan dat het habitat geschikt is. Denk aan meer open vegetaties met een complexe structuur en beperkte verstoring, waar veel verschillende soorten geleedpotigen voedsel en beschutting kunnen vinden.”
De bloembedekking bleek een veel minder goede biodiversiteitsindicator. Een paar soorten domineerden de totale bloembedekking, zoals paardenbloem en witte klaver. Wanneer deze soorten massaal bloeien kunnen weilanden er bloemrijk uitzien, terwijl ze toch een lage biodiversiteit hebben. Het gaat er niet om hoeveel bloemen er zijn, maar hoeveel verschillende soorten.

Brede representativiteit
Gedurende de lente en vroege zomer worden er steeds meer soorten geleedpotigen actief, maar de relaties met bloemrijkdom bleven bestaan. Bloemen kunnen daarom aan het licht brengen of een grasland tijdens het groeiseizoen meer of minder geschikt wordt voor geleedpotigen. Veel intensief beheerde graslanden verloren hun bloemen al in mei, maar in half-natuurlijke graslanden nam de verscheidenheid aan bloemen en geleedpotigen alleen maar toe. Deze graslanden worden tijdens het groeiseizoen steeds belangrijker toevluchtsoorden voor de biodiversiteit.
De relaties met bloemrijkdom hielden ook stand bij verschillend landgebruik. Dit betekent dat de bloemrijkdom kan worden gebruikt als een algemene biodiversiteitsindicator, ongeacht of je een intensief begraasd weiland of een natuurreservaat beoordeelt. Dit is belangrijk voor monitoring- en beleidstoepassingen.
Praktische implicaties: van veldonderzoek tot vergoedingen
Goede biodiversiteitsindicatoren moeten niet alleen breed representatief zijn, maar ook eenvoudig te beoordelen en objectief te interpreteren. De bloemrijkdom van graslanden is een intuïtieve indicator die zichtbaar is voor natuurbeheerders, boeren en burgers. Bloemen kunnen worden herkend met behulp van identificatie-apps, en mogelijk zelfs door geautomatiseerde 'remote sensing'. Op deze manier kunnen bloemeninventarisaties in de toekomst mogelijk over complete landschappen worden uitgerold. “We hebben geen biodiversiteitsdata op deze schaal”, zegt De Vries, “omdat het onmogelijk is om elk weiland te inventariseren. Zelfs de meeste programma’s voor natuurherstel of natuurvriendelijke landbouw hebben weinig zicht op de geleedpotigen. Snel meetbare indicatoren, zoals bloemenrijkdom, kunnen worden gebruikt om het succes van deze programma’s te evalueren.”
Bovendien houdt de bloemrijkdom rechtstreeks verband met het beheer van een grasland. “Boeren kunnen de bloemrijkdom van hun weilanden verbeteren met toegespitst beheer”, zegt De Vries. “Als we bloemrijkdom zouden gebruiken om de resultaten van natuurvriendelijke landbouw te evalueren, kunnen we dit als basis gebruiken om boeren te belonen voor de behaalde resultaten. Financiële beloningen voor boeren zijn noodzakelijk, want herstel van bloemen en biodiversiteit vereist dat boeren extensiever gaan werken. Dit vermindert hun inkomsten uit productie, terwijl het de hele maatschappij ten goede komt. Beloningen voor biodiversiteitsherstel kunnen hier recht aan doen en een alternatieve bron van inkomsten vormen.”
Geen vervanging voor de monitoring van geleedpotigen
Bloemrijkdom biedt een efficiënte, opschaalbare manier om de algemene biodiversiteitswaarde van graslanden te beoordelen, maar geeft geen uitsluitsel over welke soorten er voorkomen of hoe het met hun populaties gaat. Gedetailleerde soorteninventarisaties blijven essentieel om deze vragen te beantwoorden. In aanvulling op meer algemene indicatoren, zoals de bloemrijkdom, kunnen dergelijke inventarisaties zich richten op de meest waardevolle habitats.
Meer informatie
- Dit natuurbericht is gebaseerd op het artikel Flower species richness is an effective indicator of aboveground grassland arthropod biodiversity, dat in mei 2026 gepubliceerd is in het wetenschappelijk tijdschrift Ecological Indicators.
Tekst: Reinier de Vries, Wageningen University & Research
Beeld: Reinier de Vries (leadfoto: heuvellandschap met grasland in het zuiden van Nederland) en collega's
